Tag: Jeugdzorg

Relatiemacht in de sector jeugd en gezin: de eensgezindheidsdoctrine

De eensgezindheidsdoctrine is gebaseerd op ontkenning van relatiemacht en leidt tot schadelijke werkprocessen in de jeugdhulp en in de echtscheidingsbeïnvloedingsindustrie.

In mijn blogpost “Enkele inleidende opmerkingen over de betekenis van relatiemacht in therapie” heb ik benoemd dat er in elke relatie sprake is van een verdeling van de relatiemacht. Wanneer de macht in een relatie tussen twee mensen niet ongeveer 50-50 verdeeld is, dan heeft de ene persoon dus een bepaalde macht over de andere, oftewel de andere persoon wordt overheerst.

Laten we nu een fictieve casus in gedachten nemen van een gezin met kinderen waarin jaren geleden de echtscheiding is opgestart en waarin heden, jaren later, de zoveelste procedure loopt over de omgang of over andere zaken. Alle denkbare instanties en professionals zijn betrokken, het wordt een ‘vechtscheiding’ of een ‘complexe scheiding’ genoemd, en de vraag is: komt er ooit rust voor alle gezinsleden?

Onze fictieve jeugdbeschermer Anne wil zich inzetten voor het welzijn van de kinderen. Anne heeft een aantal ideeën over goed ouderschap. Zo denkt Anne bijvoorbeeld dat iedereen die kinderen heeft, vanzelfsprekend liefdevol gedrag naar de kinderen wil vertonen, en ook dat kinderen altijd liefde voor hun ouders zullen voelen. Deze denkfouten ga ik vandaag overslaan. Anne heeft namelijk nog een derde idee: Ouders die het oneens zijn, zijn dus slechte ouders, want voor goed ouderschap is het voornaamste vereiste dat ouders het met elkaar eens zijn.

Deze gedachte is een ernstige denkfout, maar dat weet Anne niet. Anne is er heilig van overtuigd dat eensgezindheid tussen de ouders de oplossing is van alles wat er mis is. De ouders moeten het eens worden. Dat moet gebeuren door ‘niet langer de strijd op te zoeken’ en door ‘beter te gaan communiceren’. Anne schakelt echtscheidingsbeïnvloedingsprofessionals in en stuurt de ouders naar het fictieve traject ‘ouders-kunnen-het-samen-na-de-scheiding’. Deze professionals maken diezelfde denkfout.

De gevolgen van de denkfout openbaren zich vanaf het begin in de werkwijze van Anne en de overige professionals. Zij vinden waarheidsvinding niet nodig, immers zij weten de belangrijkste waarheid al: dat ouders die het oneens zijn alles verpesten, en dat het enige dat echt helpt is dat ouders het weer eens worden. Zij zijn hier zo intens van overtuigd dat zij hardop vertellen, en op hun websites vermelden “Wij doen niet aan waarheidsvinding”. Zij vinden namelijk dat waarheidsvinding alleen maar ruis geeft. Waarheidsvinding leidt de aandacht af naar details zoals de beschuldigingen van stalking respectievelijk valse aangifte die de ouders over elkaar uiten. De denkwereld van het eensgezinde ouderschap is een overzichtelijke wereld met eenvoudige oplossingen.

De handelwijze van de professionals zal dan ook meteen ‘oplossingsgericht’ zijn: namelijk hoe dan ook zorgen dat de ouders niets meer zeggen of doen dat lijkt op ‘strijd’. Het hardst opgetreden moet er dan worden tegen de ouder die de zwaarste beschuldigingen uit. De ouder die het meest charmant kan doen naar de hulpverlener komt het minst ‘strijdvaardig’ over. De ouder die aangifte heeft gedaan van stalking komt het meest ‘strijdvaardig’ over en is dus een ‘slechte ouder’. Zodoende levert de doctrine een eenvoudig idee op van wat er waar is, en is verder onderzoek van feiten en gedragingen niet nodig.

Het beloop van dit type casus is niet gunstig. Er blijft zich van alles voordoen. De kinderen zeggen dat ze liever niet meer naar de charmante ouder willen. De professionals vinden dit problematisch gedrag, immers nu ‘zoeken de kinderen ook al de strijd op’. Dus moeten de kinderen gedwongen worden om meer met de charmante ouder om te gaan, en moet de zeurende ouder nu eindelijk afleren om de kinderen zo ‘op te stoken’. Dit maakt de chaos alleen maar groter in plaats van kleiner. Iedereen, professional, ouder of kind die met deze benadering te maken heeft gehad, kan uittekenen hoe het pijnlijk beloop van de casus er uit ziet. En met de kennis van de denkfout is te voorspellen welke verdere fouten de professionals nog zullen maken. Zoals de kinderen volledig bij de charmante ouder plaatsen om de ‘strijdende ouder op afstand te plaatsen’ en ‘rust te brengen in de situatie’.

De werkelijkheid van onze fictieve casus ziet er heel anders uit. Deze werkelijkheid had begrepen kunnen worden door de professionals als ze hun denkfout hadden losgelaten. In de werkelijkheid is er namelijk, zoals in elke relatie, sprake van een verdeling van de relatiemacht. Wanneer deze verdeling niet wordt onderzocht en begrepen, dan wordt de interventie dus niet aangepast aan de feiten. En dan blijven de feiten uiteraard overheersen omdat de interventie letterlijk nergens op slaat.

In onze fictieve casus heeft iedereen die dit beloop herkent, de feiten al gezien: de charmante ouder heeft vrijwel alle relatiemacht in handen en overheerst zowel de andere ouder als de kinderen. De onderdrukte ouder pleegt zo goed mogelijk opstandigheid tegen de onderdrukking, ook al denken de professionals dat dat het ‘opzoeken van de strijd’ is. De scheiding heeft de mogelijkheid tot huiselijk geweld van de charmante ouder wel verminderd, maar daarvoor in de plaats is deze overgegaan tot stalking, zwartmakerij, impliciete bedreigingen, omkoping van de kinderen, financiële sabotage, papierterreur en nog meer gedrag dat de professionals niet zien omdat ze al deze feiten beschouwen als ‘hinderlijke waarheidsvinding die alles onduidelijk maakt’ (lees: ‘die niet past bij de gedachte van zaligmakend harmonieus ouderschap’). De onderdrukte ouder in onze fictieve casus durft gelukkig door te gaan met verzet tegen de overheersing. Bovendien heeft onze fictieve onderworpen ouder een advocaat die wel de feiten begrijpt en treft de ouder bovendien een rechter met realiteitszin, waardoor de zorgregeling toch gunstig voor de kinderen wordt en de onderdrukkende ouder minder ruimte krijgt om macht uit te oefenen. En als de politie goed werk maakt van de aangifte, dan zal er ook via het strafrecht de nodige corrigerende invloed zijn op de onderdrukkende ouder.

De onderdrukking die de professionals hebben gepleegd is daarmee succesvol ingeperkt. Professionals die vasthouden aan hun denkfout zullen de casus nog steeds onbevredigend vinden, want ze hebben ‘niet de kans gekregen om te regelen dat de ouders weer in harmonie samenwerken’. In hun ogen is de casus ‘mislukt’, ook al gaat het beter met de kinderen en de onderdrukte ouder, en is de macht van de overheersende ouder aanzienlijk ingeperkt.

De denkfout van de ‘eensgezindheid’ is overigens typerend voor mensen die gewend zijn aan sektarische dynamieken. Mensen die zijn opgegroeid in sektarische gemeenschappen, strenge geloofsgroepen, met zwart-witte en inflexibele normen, en/of met een ouder die de andere ouder overheerste, zullen in de regel deze denkfout maken. Voor hen is het indelen van mensen in een hiërarchie zo doodgewoon dat ze zich er vaak niet bewust van zijn. Zij deinzen niet terug voor klakkeloos volgelingschap en ook niet voor overheersing, want zij kennen niet de ervaring van het mogen hebben van persoonlijke grenzen. Ze kennen ook niet de ervaring van het samen uitzoeken hoe ieders grenzen gerespecteerd kunnen worden. Dergelijke activiteiten ervaren zij als moeizaam, verwarrend en beangstigend, omdat ze, grenzeloos als ze zijn geworden, geen houvast vinden als er geen pikorde is. Zij zien de eenvoud van de pikorde aan voor troost. Ze zien de hiërarchie aan voor ‘rust’. Onbeantwoorde vragen maken hen gespannen. Ze willen overal een eenvoudige verklaring voor omdat ze anders last krijgen van tegenstrijdige gedachten gevoelens en behoeften. Voor hen zijn overheersing en onderwerping hetzelfde als ‘eensgezindheid’. Een ‘gezinshoofd’ met ‘gehoorzame gezinsleden’ is voor hen een voorbeeld van harmonie. Het idee dat je samen dingen uitzoekt en compromissen sluit staat hen tegen.Wanneer een compromis niet lukt, dan zijn zij radeloos, want autonomie is hen vreemd.

Uitzondering zijn diegenen die zich voldoende hebben ontworsteld aan de sektarische gemeenschap, het zwart-witte denken, het rigide geloof of aan de gezinsstructuur waarin de relatiemacht ongelijk verdeeld was. Zij zijn de mensen die hebben ontdekt dat er sprake is van macht en dus van overheersing en dus van onderworpenheid. Zij zijn degenen die hebben ontdekt dat het scheppen van een beter machtsevenwicht alleen bereikt kan worden doordat de onderdrukten opstandig blijven en doordat de macht van de overheerser wordt ingedamd totdat er een machtsevenwicht is ontstaan. Helaas zijn zij vaker de uitzondering dan de regel.

In mijn ogen heeft het zin om met professionals het gesprek aan te gaan over hun ideeën over ouderschap. Niet om iets aan hen te bewijzen, want tegenspraak tegen hun veilige zwart-witte mensbeeld is beangstigend. Bij voorkeur dus door middel van vriendelijke en uitdagende vragen, die bedoeld zijn om te veroorzaken dat de professional kritisch gaat nadenken over het één of andere aspect van hun invalshoek. Op de manier waarop mensen aan het denken gezet kunnen worden kom ik een andere keer terug.

Persoonlijkheidsonderzoek bij ouders in jeugdbeschermingszaken (ondertoezichtstelling)

Met enige regelmaat krijg ik mails of telefoontjes van mensen die op aandringen van de jeugdbescherming een GZ-psycholoog zoeken voor persoonlijkheidsdiagnostiek. Het gaat om het schrijven van een diagnostische rapportage voor derden, in dit geval voor de jeugdbescherming. Dan vraag ik hen of ze zelf ook vinden dat hun persoonlijkheid diagnostiek nodig heeft, en of ze ook een hulpvraag hebben betreffende hun eigen persoon en/of terugkerende problemen in de interactie met anderen. Het antwoord is telkens: “Nee, de jeugdbescherming wil weten of ik wel goed ben voor mijn kind.” Dat is het moment waarop het duidelijk is dat persoonlijkheidsonderzoek niet datgene is dat er dient te gebeuren. Tevens is het op dat moment duidelijk dat de samenwerking tussen de jeugdbescherming en de ouders niet op een goed spoor is beland, en dat de betreffende ouders eronder gebukt gaan. Hieronder zal ik uitleggen waarop ik deze beweringen baseer.

Om te beginnen is de taak van de jeugdbescherming het bewaken dat de ontwikkeling en de veiligheidssituatie van het kind in ieder geval een zes min halen, om het maar even in klassieke rapportcijfers uit te drukken. Het kind moet zich letterlijk ‘voldoende’ ontwikkelen en dus aan slechts beperkte aantasting of dreiging worden blootgesteld. Elk rapportcijfer boven de zes min is mooi meegenomen, maar niet wettelijk relevant. De jeugdbescherming is dan ook pas nodig wanneer de ontwikkeling en/of de veiligheid onder de zes min komt, en blijft, ondanks pogingen van ouders, kind en hulpverleners om een zes min te bereiken. Ik kan het niet vaak genoeg benadrukken: een zes min is voldoende. (Ik ga hier weglaten hoe je dan beslist waar die ‘voldoende’-grens ligt. Daar heb ik me in mijn jeugdbeschermingsjaren wel mee bezig gehouden, maar we gaan hier voor het gemak uit van de hypothetische situatie dat de jeugdbescherming dit in elke zaak duidelijk geformuleerd heeft.)

Deze twee gegevens, de ontwikkeling en de veiligheid, zijn geen rechtstreekse afgeleide van de persoonlijkheid van de opvoeder. Er zijn kinderen die zich voldoende weten te ontwikkelen in situaties waarvan de haren je te berge rijzen. Volgens het wettelijke criterium is de ontwikkeling dan dus goed genoeg. Er zijn ook kinderen die er niet in slagen zich voldoende te ontwikkelen, wat de ouders ook doen, bijvoorbeeld omdat deze kinderen een nog niet ontdekte diagnose hebben. Er zijn ouders met persoonlijkheidsstoornissen, misschien wel meer dan we denken, die kinderen grootbrengen zonder dat de ontwikkeling of veiligheid van het kind onder de zes min komen. Misschien komt het ook nooit boven de zes min, maar goed, de zes min is wettelijk voldoende. In al die gevallen kan je er op los diagnosticeren bij de ouder, maar het zegt niets over de opvoeding of over het criterium voor jeugdbescherming.

Nog anders gezegd: er is geen enkel bewijs dat wanneer je een diagnose bij een ouder stelt, daaruit een conclusie getrokken kan worden over de opvoeding van het kind. Er zijn ouders met chronische of karakterologische depressiviteit die erin slagen om jarenlang het kind ruim voldoende veiligheid en voorspelbaarheid te bieden, bijvoorbeeld. Er zijn ouders met borderline persoonlijkheidstrekken die erin slagen een warme en stimulerende (maar soms erg drukke en impulsieve) ouder te zijn, en die hun karakterprobleem vooral ervaren in de omgang met volwassenen omdat ze aan hun kinderen WEL veilig gehecht zijn. Er zijn narcistische ouders die heel veel aan de andere ouder overlaten en die vooral zo nu en dan iets leuks ondernemen omdat ze dan met hun kind kunnen pronken of de populaire ouder kunnen uithangen bij hun kind. In geen van deze gevallen verhindert het karakter van de ouder dat het kind zich voldoende, namelijk minimaal met een zes min, kan ontwikkelen. En zo kan ik nog lang doorgaan. De lijst is heel erg lang omdat, ik zeg het nog maar een keer, er geen conclusie over ouderschap te trekken valt op basis van persoonlijkheidskenmerken.

Daarnaast is het zo dat persoonlijkheidsdiagnostiek ten dieptse een privé aangelegenheid is. Het voelt als een röntgenfoto van je zwakke kanten. Het is niet iets dat je hoeft te delen met anderen, en dat is precies waarom het in de GGZ thuishoort. Dit is tevens een reden waarom je het zelf moet willen als volwassene zijnde, en waarom er een hulpvraag aan gekoppeld moet zijn die vanuit jezelf komt. Bijvoorbeeld omdat je je eigen patronen van vermijding, of van ongezonde keuzes, of van dwangmatigheid, nu eindelijk definitief wil doorbreken. Dit brengt dan weer met zich mee dat het onderzoek niet zomaar gedaan kan worden om een rapportage uit te brengen in wat eigenlijk een juridische procedure is (namelijk OTS). Daar is de gezondheidszorg niet voor bedoeld. De gebruikelijke rapportage-uitzondering in de GGZ is een kort antwoordbriefje aan een bedrijfsarts over de diagnose en behandeling, omdat de bedrijfsarts deze informatie nodig heeft voor zijn/haar bedrijfsartswerk met de ziek gemelde cliënt. In de beroepscode van het NIP staat in diverse artikelen duidelijk vermeld aan welke regels en begrenzingen rapportage gebonden is.

De ouders die mij bellen of mailen hebben dan ook vaak de opdracht om het onderzoek op eigen kosten te laten doen. Dit is dus een heel oneigenlijke situatie, en ik hoop dat hierboven duidelijk is geworden wat hieraan niet klopt.

Ik adviseer deze ouders steevast om zich niet te laten betrekken in dit soort dingen. Wanneer de jeugdbescherming namelijk beslissingen gaat ophangen aan zaken die niets te maken hebben met de criteria waarvoor de jeugdbescherming is ingeschakeld, dan is het einde letterlijk zoek. Dan wordt alles mogelijk, en dat leidt niet tot een passend traject voor de kinderen. De ouders worden meestal angstig wanneer ik adviseer om het niet te doen, want ze ervaren de jeugdbescherming als een ontoegankelijk en gezins-onvriendelijk instituut dat onvoldoende definieert waar het in hun werk om draait. Maar ze hoeven niet bang te zijn. Er bestaat namelijk onderzoek waarin precies datgene aangetoond kan worden dat de jeugdbescherming eigenlijk wil weten. Namelijk of de ouders ouderschap en veiligheid kunnen aanbieden op minstens het niveau van een zes min. Dat type onderzoek noem ik hieronder ‘ouderschapsonderzoek’ omdat ik geen idee heb hoe het tegenwoordig genoemd wordt in jeugdhulpverleningscirkels.

Ouderschapsonderzoek zal doorgaans bestaan uit enkele componenten. In de eerste plaats is het mogelijk om bij elke ouder individueel een uitgebreid tot zeer uitgebreid interview af te nemen waarmee inzichtelijk wordt hoe de ouder denkt over ouderschap, kinderen, opvoeding, belonen, straffen, leeftijd en leeftijdgebonden benadering, knelpunten in het opvoeden, omgaan met mislukking in de opvoeding, omgaan met je eigen onhandigheden als ouder, veiligheid, autonomie, zelfstandigheid, emotieregulatie, vaardigheidsontwikkeling, verantwoordelijkheid, afhankelijkheid, noodlot, etc. De lijst is lang en het interview hoort ook lang te zijn. In jeugdbeschermingszaken lijkt het mij bovendien heel nuttig om ook altijd de vragen van de MASIC en of de NICHD te stellen, immers er was kennelijk wel echt iets aan de hand en je wilt geen enkel element mislopen. Daarnaast kan het onderzoek bestaan uit diverse manieren van observeren van gezinsleden en hun interacties. En afhankelijk van de leeftijd(en) van het(de) kind(eren) kan ook met de kinderen een gestructureerd spel of interactie-test of interview gedaan worden. Al deze items vereisen de juiste deskundigheid, namelijk deskundigheid over gedrag en hechting, over ontwikkeling en leeftijdsgebonden behoeften, en over een variatie aan opvoedingsvisies en -stijlen en de mogelijkheden en grenzen daarvan. Er zijn professionals die dit allemaal in huis hebben.

Mijn ervaring is dat wanneer een dergelijk onderzoek goed wordt gedaan, daar zeer concrete items uit rollen die WEL aanknopingspunten bieden voor alle partijen om die zes min (of hoger) vast te stellen of te bereiken. Ik adviseer de angstige ouders dan ook om uit alle macht, en met alle argumenten die zij en hun dierbaren kunnen bedenken, er bij de jeugdbeschermer op aan te dringen dat dit hetgene is dat onderzocht wordt. Desnoods met dagenlange video-interactie observatie bij hen thuis, of andere vormen van passende observatie. In de eerste plaats is enthousiasme voor goed onderzoek een prima standpunt om in te nemen. Immers, het is een standpunt dat elke verstandige ouder graag inneemt en het is adequate medewerking met de wens van de jeugdbescherming om een onderzoek te laten doen . In de tweede plaats valt niet te ontkennen dat deze richting van onderzoek in alle opzichten adequaat is. Immers, het is het meest to-the-point wat er gedaan kan worden. En in de derde plaats: het kan gedaan worden door mensen die voor dergelijke materie zijn opgeleid. Want laten we eerlijk zijn: het vakgebied van diagnostiek van volwassenenpathologie heeft bitter weinig te maken met kennis van leeftijdsadequate behoeften en gedragingen van minderjarigen, laat staan kennis van opvoedings-uitdagingen die daarbij horen.

Pesten op school: volwassenen zijn het probleem

Laat ik het zo kort mogelijk samenvatten: herhaald pesten op een school kan alleen alleen wanneer de betrokken volwassenen gezamenlijk niet genoeg doen om het pestgedrag te stoppen. De enige manier waarop iemand herhaald gepest kan zijn geweest in zijn/haar jeugd, is wanneer de volwassenen hebben gefaald in hun gezamenlijke taak om te zorgen dat alle kinderen elkaar in hun waarde laten.

Wanneer kinderen pestgedrag vertonen dan is het de verantwoordelijkheid van de volwassenen om het pestgedrag te stoppen. De volwassenen, dat zijn alle ouders, alle volwassenen op school en eventueel nog meer bij de kinderen betrokken personen zoals familie, sportcoaches, hulpverleners.

Het is onjuist om het stoppen van het pestgedrag af te schuiven op het slachtoffer door het slachtoffer op een cursus te sturen. Het is onjuist om het stoppen van het pestgedrag over te laten aan de daders door hen op cursus te sturen. Het gedrag moet actief voorkomen en gestopt worden — door de volwassenen die aanwezig zijn (en hadden moeten zijn) wanneer en waar het gebeurt of kan gebeuren.

De ouders van het gepeste kind hebben natuurlijk verantwoordelijkheid: ze moeten de volwassenen op school inschakelen die het pestgedrag op school moeten corrigeren. Ze hebben nog een verantwoordelijkheid: ze moeten de school er zo vaak mogelijk en steeds indringender op aanspreken dat de school moet garanderen dat hun kind daar veilig en gerespecteerd de schooldag doorbrengt. Wanneer overleggen niet genoeg is dan hebben ze de taak om uit te zoeken welke acties en maatregelen ze nog meer kunnen inzetten om te zorgen dat hun kind op een school zit die veiligheid en correcte bejegening garandeert aan hun kind.

De volwassenen op school hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat elk kind op school gerespecteerd wordt door andere kinderen. Ze moeten kinderen (en hun ouders) hierop aanspreken en/of verdere acties ondernemen wanneer kinderen (en/of hun ouders) weigeren om andere kinderen in de klas met rust te laten.

Elke volwassene die herhaald en/of langdurig gepest is op school, is feitelijk in de steek gelaten door de gezamenlijke volwassenen die aanwezig waren in zijn/haar leven destijds. Natuurlijk is het terecht om herinneringen te hebben aan gemene kinderen die nare dingen deden. Maar om de impact van het pesten volledige te begrijpen is het nodig om de optelsom van het gedrag van de volwassenen te begrijpen. Hebben alle aanwezige volwassenen het zich aangetrokken? Wilden ze het weten? Waren ze bereid om er iets tegen te doen? Hebben ze geprobeerd samen te werken met de andere betrokken volwassenen? Hebben ze doorgezet? Hebben ze alles uit de kast gehaald? Hebben ze ‘met de vuist op tafel geslagen’ om door te dringen tot de andere volwassenen? Hebben ze het gepeste kind ooit verteld “wij als volwassenen en opvoeders moeten zorgen dat de pesters stoppen, het is onze taak en ik doe er alles aan, je mag me daar altijd vragen over stellen”? Of hebben ze het gepeste kind, de pesters en alle andere kinderen in de steek gelaten door het ‘niet te begrijpen’, ‘niet opgemerkt te hebben’, ‘niet te geloven’, of door anderen de schuld toe te schuiven terwijl ze zelf niet genoeg deden, of door zich te verschuilen achter een liefdevol maar volkomen passief ‘medeleven’ met het gepeste kind, of door de pesters te ‘verdedigen tegen kritiek’?

De allergrootste schade door herhaald en langdurig pesten op school ontstaat dan ook niet door het pesten zelf, maar door de indringende ervaring dat er in tijden van wanhoop en ellende niemand in de wereld voor je klaar zal staan. Deze schade is zo groot dat sommige kinderen en volwassenen het niet zien zitten om een mensenleven in de wereld door te brengen: ze plegen liever zelfmoord. Zij die doorleven, hebben de taak om af te rekenen met de negatieve emoties over het leven in een wereld die, naar hun ervaring, er niet voor hen zal zijn wanneer het er op aan komt.

Het afrekenen met deze emoties begint met het besef dat de volwassenen, ieder vanuit hun eigen rol, meer hadden moeten doen. Niet door deze volwassenen te beschuldigen, maar door te durven zien wat de aard van hun tekort was en door te durven zien hoe hun tekort tot stand kwam. Door dit te doorgronden, kunnen de nieuwe volwassenen werken om dergelijke tekorten tegen te gaan. Niet alleen kunnen ze een persoonlijk tekort vermijden, ook kunnen ze anderen helpen om tekorten op te lossen.

Onzindossiers en communicatieproblemen

Deze blogpost heb ik meer dan tien keer opnieuw geschreven en toch weer weggegooid. Dit moet de laatste poging zijn.

Het is niet leuk om hier iets over op te schrijven. Maar het moet wel gebeuren. Ik vind dat ik moet opschrijven dat het veel voorkomt dat er fouten in dossiers staan, gewoon omdat het mensenwerk is.
Hoe vaak heb ik niet het aantal broers of zussen, of een geboortedatum, of de naam van een ex, of andere simpele gegevens verkeerd genoteerd… Dat gebeurt nu eenmaal. Maar nog veel erger is het wanneer er onzin over de cliënten, hun omgeving of hun diagnose in staat. En ook dat gebeurt heel vaak.

Dit vak is een ontzettend moeilijk vak. Het is mensenwerk aan beide kanten, zowel aan de kant van de cliënt als aan de kant van de professional. En dus zal een dossier altijd wel een beetje onzin bevatten. Het is nu eenmaal niet mogelijk om te zorgen dat een tekst daadwerkelijk weergeeft hoe de levens en karakters van mensen er uit zien, en hoe ze omgaan met de mensen in hun omgeving. Iedereen die pretendeert dat zoiets wel kan in een dossier, heeft niet begrepen hoe moeilijk dit is. De oplossing die ik ooit in de jeugdzorg door iemand hoorde noemen, om dan maar vrolijk te verklaren “Er zijn nu eenmaal vele waarheden”, is natuurlijk nog grotere onzin. Op zo’n manier cultiveer je onzindossiers alsof ze het hoogst haalbare zijn. Dat vind ik slappe hap, en ik vind het ook gevaarlijk. In plaats daarvan moeten we bescheidenheid kweken, en onze formuleringen zodanig kiezen dat we de schade van de onzin in onze dossiers beperken.

Want schade komt er echt van. Elke onzin geeft schade. Een voorbeeld: een echtpaar heeft voortdurend botsingen met de jeugdzorg over de zorg voor hun jonge kind. Ze vragen uiteindelijk het dossier maar eens op. Dat kost bijna een jaar omdat de medewerkers niet weten dat de ouders het dossier mogen opvragen, maar goed, via de rechtbank krijgen ze dan toch het dossier in handen. En dan blijkt dat de diagnose waarmee jeugdzorg probeert te werken, de diagnose van de oudere broer is, niet van het kind waarom het gaat. Uiterst pijnlijk. Maar het is mensenwerk, het kan gebeuren.
Nog een voorbeeld: de nieuwe hulpverlener krijgt een nieuwe cliënt toebedeeld die net een diagnostisch traject heeft gehad. De behandeling loopt niet, de overleggen zijn frustrerend, de cliënt klaagt steen en been. Uiteindelijk besluit de nieuwe hulpverlener met de cliënt het hele dossier door te nemen en dan blijkt dat er een diagnostisch verslag in zit dat niet klopt. Er zijn fouten gemaakt in de diagnostiek en er zijn fouten opgeschreven. Helaas. Het is mensenwerk. Het is niet anders. Het gaat er niet om of die fouten gemaakt worden, want dat is gewoon een feit. Het gaat er om hoe we ermee omgaan. En dat brengt mij op de narigheid die een tweeling is van de onzindossiers: de communicatieproblemen.

Nu zou je denken: als het psychologen zijn dan zijn ze toch zeker heel goed in communicatie? Laat ik daarover ook maar meteen duidelijk zijn. Na meer dan tien keer gefrustreerd opnieuw proberen om dit verhaaltje op te schrijven kan ik volmondig beweren: nee dat zijn psychologen eigenlijk niet. Wij zijn ook maar mensen. We leren een boel academische en postacademische kennis. Sommigen van ons leren zelfs om enigszins wetenschappelijk te denken. We leren ook wel het een en ander over communicatie. Maar dat is net als mensen die een aantal kook-cursussen hebben gedaan. Je kan nog zoveel cursussen hebben gevolgd in iets, maar je bent er pas goed in als je het heel lang en heel veel hebt beoefend, en alle fouten hebt gemaakt. En vooral: als je van alle fouten zoveel mogelijk hebt geleerd. Misschien word ik ooit zo goed in dit vak dat ik deze dingen in 1 keer kan opschrijven. Dan deel ik moeiteloos, schriftelijk, datgene dat ik in mijn hoofd heb zitten met anderen. Nou… zo ver is het dus nog niet. Ook niet na dertig jaar communiceren voor mijn dagelijks brood. Zo moeilijk zijn die dingen dus.

Communicatieproblemen zijn in dit vak een groot obstakel omdat alles van de communicatie afhangt. Het is niet mogelijk om communicatieproblemen te overschatten. Het is wel mogelijk, heel makkelijk zelfs, om communicatieproblemen over het hoofd te zien. Ik wil vandaag twee van die problemen aanstippen.

De eerste die ik wil benoemen is het probleem van alles dat niet gezegd wordt en niet gevraagd. Het is een eindeloze worsteling. Wij hulpverleners vinden het moeilijk om tegen een cliënt te zeggen: “ik wil dat u douchet en iets schoons aantrekt voordat u komt, want het spijt me wel maar dit kan zo niet.” We vinden het moeilijk om door te vragen en te zorgen dat er daadwerkelijk en duidelijk verteld wordt: “Hoe bedoelt u, ‘dan wordt ze boos’, wat moet ik me daarbij voorstellen?” We vinden het moeilijk om tegenstellingen aan te stippen: “U zegt nu ‘mijn ex’, maar daarnet zei u dat de relatie pas uit ging na uw reis naar Italië?” We vinden het moeilijk om naar problematische gedragingen te vragen: “hoeveel glaasjes per week?” “Hoe gedraagt u zich wanneer u zich ergert?” “Hoe vaak kijkt u eigenlijk porno?” “Weet uw partner dat ook?” “Kan het zijn dat u zich schaamt en dat we het nu toch moeten hebben over datgene waaraan u nu denkt?” We schrijven vaak liever klakkeloos in ons onzindossier “Cliëntes partner is meer de rationele van de twee, terwijl zijzelf meer de emotionele van de twee is”, zonder dat we enig idee hebben wat cliënte daarmee eigenlijk beschreven heeft. Heeft ze beschreven hoe ze het zelf ziet? Of heeft ze beschreven hoe haar partner het ziet? En waaraan merkt zij, of de partner, dat dit zo zou zijn? Of is dit de vorm waarin de een de ander beschuldigt tijdens ruzies? “Jij bent ook altijd veel te rationeel/emotioneel!” Er zijn weinig dingen zo moeilijk als het luisteren naar wat er nog niet gezegd is, en het benoemen van alles dat hardop benoemd moet worden om de dingen echt duidelijk te maken.

Het tweede, en het laatste waar nog wat over wil noteren vandaag, is de moeite om te praten over de wat wij, en de cliënt, denken dat er waar is. In de jeugdzorg loert dan ook altijd het verzanden in vormen van waarheidsvinding. Daar wordt het meest gevoeld dat het nodig is om een waarheid te achterhalen. Doet iemand een ander kwaad? Zo ja, kunnen we daar dan achter komen? En wat nu als we daar niet achter kunnen komen? En wat nu als dat niet het probleem is? En wat nu als we eerlijk vertellen dat we denken dat iemand iemand kwaad doet? Kunnen we dan nog wel samenwerken? Of moeten we die waarheid, die verdenking, verbergen? Maar ook in de volwassenenzorg is de vraag wat we denken dat er waar is, een vraag die we niet kunnen overslaan. Een bekend grapje dat ik leerde van een Argentijnse psychoanalyticus ging over een man die jarenlang bij de therapeut kwam klagen over ratten. Altijd had hij het over ratten. De therapeut interpreteerde er op los, over wat al die rattensymboliek voor de man betekende. Jaren later, toen de therapeut een wandeling maakte, kwam deze langs een voordeur die toevallig net geopend werd. Naar buiten kwamen een heleboel ratten, en ook… de cliënt die het zo vaak over ratten had gehad. Het drama van deze grap is natuurlijk: de therapeut dacht al die tijd dat de ratten fantasie waren, verbeelding, symboliek. Maar dat waren ze niet. De therapeut was er geen moment in geslaagd om het over de werkelijkheid van de cliënt te hebben. Dit is een daadwerkelijk risico in ons vak. We denken dat we weten waarover we het hebben, maar we hebben het niet over de werkelijkheid van de cliënt. We denken dat we het hebben over een afhankelijke, onzekere cliënt, maar de werkelijkheid is misschien wel dat de cliënt vreselijk onder de plak zit van een partner waarover hij/zij niets durft te vertellen. We denken dat we een depressie moeten behandelen maar we zien misschien wel de chronische slaapstoornis over het hoofd, die de ware oorzaak is van de uitputting en de somberheid. Of de cliënt vertelt dat zijn/haar [dierbaar familielid] het beste met hem/haar voor heeft, maar uit de verhalen rijst een beeld op van iemand die zich met alles bemoeit en die voortdurend energie zuigt. Het vak kan niet verantwoordelijk beoefend kan worden zonder deze dingen hardop met elkaar te bespreken. We hoeven niet de waarheid te proberen te dicteren aan de cliënt. En we hoeven ons ook niet alles wat ons gezegd wordt als waarheid aan te nemen. Maar wat we altijd zullen moeten doen, is durven te praten en sparren met de cliënt over hoe we aankijken tegen de vraag wat er waar is. Op zijn minst moeten wijzelf en de cliënt daar samen wat van leren. Op zijn best bereiken daarmee dat wijzelf en de cliënt in de therapie veel beter communiceren, en dat wij in het dossier veel minder onzin noteren.

De lange weg van de jeugdzorg

Nu ik een aardige poos meedraai in de hulpverlening heb ik enkele verschillende etappes in het doctrines van de jeugdzorg voorbij zien komen. Ik moest er even over nadenken: ‘doctrines’? Maar ik denk dat ik het toch zo ga noemen, want de andere woorden die ik kon bedenken, tja, die deden het nog minder.

In de jaren negentig waren we ons langzaam gaan losmaken van het idee dat als kinderen nou maar een vaste verzorgende ouder hebben… nou…  dan is het niet erg als de andere ouder volledig verstoten en zwartgemaakt wordt. Inmiddels zijn we zo ver dat ouderverstoting niet meer schouderophalend als een soort noodzakelijk kwaad wordt toegestaan in vechtscheidingen. Dat is een vooruitgang voor vele zwartgemaakte vaders en moeders. Maar vooral voor de kinderen die voorheen zonder blikken of blozen werden toevertrouwd aan de meest kwaadaardige van de twee ouders. Immers, aan degene die de ander tot elke prijs buiten het leven van de kinderen manoeuvreerde.

Daarna, in het begin van de 21ste eeuw, heb ik een tijdlang de indruk gehad dat we een hoge prijs betaalden voor medische vooruitgang: ineens was alles dat artsen niet kunnen verklaren, een geval van factitious disorder by proxy, oftewel Münchhausen by Proxy. Ik heb de meest wonderlijke taferelen gezien waarbij doodzieke kinderen uit huis geplaatst moesten worden omdat de artsen ten onrechte van mening waren dat de ouders de schuld hadden van de ziekte van de kinderen. Met name in deze zaken heb ik de epistemologie van het AMK (tegenwoordig ironisch genoeg ‘Veilig Thuis’ geheten) met verbazing bekeken. Ze hadden soms nauwelijks informatie nodig: een bericht uit het ziekenhuis was genoeg. De ouders zelf werden letterlijk als allerlaatsten te woord gestaan, soms pas weken nadat het AMK aan de slag was gegaan met de casus.

Inmiddels zitten we in alweer een volgend tijdperk. De nieuwste loot aan de boom van belangrijke ideeën over de behoeften van kinderen is de hechte band met beide ouders. Dit lijkt op het eerste oog een onschuldige en zinnige insteek. Wie wil er nu niet dat kinderen een hechte band met beide ouders opbouwen? Nou, dat is heel eenvoudig: om te beginnen willen de kinderen zelf het soms niet. Bijvoorbeeld wanneer zij hebben gezien hoe hun ene ouder de andere ouder probeerde te vermoorden. Of wanneer zij zelf ernstig mishandeld of misbruikt zijn. Deze kinderen vinden een echtscheiding meestal een grote opluchting, en ze zijn heel blij als ze voorlopig niet in de buurt van de gewelddadige ouder hoeven te komen. Maar daar denkt jeugdzorg vaak heel anders over. Ik zie zaken waarin de jeugdzorg alles op alles zet om kinderen die dat niet willen (en voor wie het waarschijnlijk ook niet gezond is) koste wat kost op een intensieve bezoekregeling te zetten met een dader van ernstige misdrijven. Want als ze maar met die dader een band opbouwen, dan gaat het goed met hun ontwikkeling, zo staat er telkens in de stukken. Ik heb weleens gezegd dat ik zelf helemaal geen band zou willen opbouwen met degene die mij verkracht en bijna gewurgd had, maar dat was aan dovemans oren. Ontwikkeling. Band. Dat is ook een doctrine.

In samenhang hiermee hebben we nu ook te maken met de opvatting dat beide ouders altijd goed moeten overleggen. Hiertoe wordt eindeloos doorgezaagd, en goudgeld rondgepompt in verplichte cursussen en verplichte mediations. Volkomen zinloos, want als één van de twee ouders geen zin heeft in goed samenwerken, dan gaat dat hele samenwerken dus niet lukken. Dat zou nog tot daar aan toe zijn als de jeugdzorg dit gegeven ook zou opmerken. Maar dat zie ik regelmatig misgaan. Dan wordt verkondigd dat ‘de ouders niet goed samenwerken’ en dat ‘de ouders het beter moeten doen’. Dat is net zoiets als naar twee kinderen schreeuwen ‘houdem jullie daar eens mee op’ zonder te erkennen dat het ene kind aan het pesten is en het andere kind zich wanhopig probeert staande te houden. Het einde van deze doctrine is nog niet in zicht, helaas.

Ik denk trouwens dat heel veel einden nog niet in zicht zijn. We hebben nu wel grotendeels vastgesteld dat geweld en seksueel misbruik niet geschikt worden geacht voor kinderen of voor het gezinsleven. Maar we hebben nog geen evenwichtige visie op stress en ziekte, gezonde hechting en gezonde afwijzing, machtsverschillen in relaties, of de asymmetrische conflicten die zich in vechtscheidingen voordoen, waarbij de ene ouder meer verantwoordelijk is voor de botsingen dan de andere. We hebben nog een hele lange weg te gaan.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén