Tag: Communicatie

Enkele inleidende opmerkingen over de betekenis van relatiemacht in therapie

In elke (partner)relatie (laten we het in de voorbeelden maar even bij volwassen partnerrelaties houden) is er sprake van een verdeling van macht tussen de twee partners. Wanneer de macht _niet_ ongeveer 50-50 verdeeld is, dan heeft de ene partner dus een bepaalde macht over de andere. Voor de duidelijkheid: ik heb het over de situatie waarin de ene partner bepalend is tegen de zin van de andere partner. Oftewel de andere partner wordt ‘overruled’ of overheerst. 

Dit is anders dan een situatie waarin de beide partners samen overeenkomen dat de ene partner op een bepaald gebied in de relatie de beslissingen neemt. Zo kunnen partners A en B bijvoorbeeld afspreken dat A altijd kookt en bepaalt wat er gegeten wordt. Zolang B daarmee instemt is dit niet een kwestie van macht, maar een kwestie van taakverdeling. B heeft de beslissing wat er gegeten en gekookt wordt naar A gedelegeerd met wederzijds goedvinden. Op het moment dat B dat niet meer zo wil zou de afspraak dus tot stilstand komen, en moeten de beide partners opnieuw samen bepalen wat de nieuwe afspraak wordt. Mocht op dat moment blijken dat A koste wat kost de rol van etensbepaler wil vasthouden, dan is er sprake van een poging van A om macht uit te oefenen over B. Namelijk macht op het gebied van wat B wanneer te eten krijgt. 

In een relatie met goed lopende afspraken hebben beide partners geïnformeerde instemming gegeven met de gang van zaken. Ze hebben elkaar goed geïnformeerd over wat ze willen, ze hebben elkaar duidelijk uitgelegd hoe hun voorstel(len) er uit zien, en ze zijn samen tot overeenstemming gekomen om één van de voorstellen in praktijk te brengen. In zo’n relatie zijn allerlei taakverdelingen mogelijk. Van ‘elke taak eerlijk delen’ tot en met ‘ieder een geheel eigen takenpakket’. Het gaat er niet om _wat_ de partners doen, het gaat er om hoe en door wie er _bepaald_ wordt wat ze doen. 

Je kunt dan ook niet aan de taakverdeling zien hoe de macht verdeeld is. Voorbeeld: in de relatie van Alex en Koos is Alex degene die de carriëre maakt en minder tijd met de kinderen doorbrengt. Je kunt hier niet uit afleiden dat Alex meer macht heeft in de relatie. In dit specifieke geval bleek dat Koos de macht uitoefent: Koos heeft met heel veel klagen, ziek-zwak-misselijk, emotionele chantage en zelfs met het afpakken van Alex’ pinpasjes, ervoor gezorgd dat Alex zich genoodzaakt voelt om fulltime te blijven werken om de lifestyle van de ‘zieke’ Koos te blijven betalen. Alex beweegt met tegenzin mee in de framing van Koos als zou het “zoveel beter voor de kinderen zijn als er in ieder geval een ouder is die veel tijd aan hen kan besteden, en aangezien ik toch te ziek ben om te kunnen werken, kan ik dat beter zijn, en bovendien kan jij dan juist wel fulltime gaan werken, dus dat is toch zeker win-win voor ons allemaal”. 

Een bepaalde gradatie van overheersing op het ene of het andere gebied zal er altijd zijn in relaties. Soms is het de ene partner die wat meer bepalend is, soms de andere. Regelmatig is het steeds dezelfde, gewoon omdat deze initiatiefrijker en meer ervaren of juist angstiger en meer dwangmatig is dan de andere. 

Over het algemeen zal de overheersende partner zich betrekkelijk thuis voelen in de relatie. Dit is niet hetzelfde als blij of gelukkig. Overheersende mensen zijn vaak niet heel blij of gelukkig, vooral niet in hun privé omgeving waar alleen hun meest dierbaren hen meemaken. Maar wanneer ze overheersend zijn, en de thuissituatie voldoende naar hun hand kunnen zetten, dan ontlenen ze daaraan zoveel comfort en bevestiging dat ze niet een behoefte voelen om anderen meer ter wille te zijn. Het is de onderworpen partner die zich structureel enigszins ontheemd zal voelen in de relatie. Het feit dat hij/zij zich steeds moet aanpassen aan de wensen, behoeften of grillen van de ander gaat hem/haar geleidelijk opbreken. Hij/zij kan niet gedijen omdat onderworpenheid betekent dat zijn/haar behoeften onvoldoende bevredigd worden en zijn/haar autonomie als volwassen individu is aangetast. 

Wat betekent dit in een therapie? Dit betekent dat het in elke therapie van belang is om uit te zoeken in hoeverre de persoon/personen die je in de kamer hebt relatiemacht kunnen uitoefenen in hun relaties met belangrijke anderen, met name tegenover hun ouders, partner of kinderen. Soms zullen ze degene zijn die onevenredig veel macht heeft in een belangrijke relatie. Met name door het spelen van kwetsbaarheidskaarten, het opzoeken van de slachtofferrol of het behalen van ‘gedupeerden-winst’ of ‘verontwaardigings-winst’. Maar vaker zullen ze degene zijn die een onderworpen bestaan leidt doordat ze snel aan zichzelf twijfelen, altijd het goede in de ander vermoeden, en op momenten van stress gaan pleasen in plaats van begrenzen. Wanneer zij deze reacties vertonen bij een dierbare die zich gedupeerd of verontwaardigt opstelt, zullen ze vrijwel vanzelf aan deze dierbare onderworpen raken. Ze zullen ook snel onderworpen raken in interactie met mensen die gekwetst reageren en met mensen die uit zijn op een conflict. 

In de meeste gevallen ervaren de overheersenden en de onderworpenen hun eigen benadering  voor een groot deel als vanzelfsprekend. Ze zijn zich wel bewust van knelpunten, maar ze zijn zich zelden bewust van de rol van hun mensbeeld en zelfbeeld in die knelpunten. Als de therapeut de knelpunten op het gebied van relatiemacht niet in kaart weet te brengen, dan zal de therapie hen uiteindelijk niet de noodzakelijke verandering brengen. Het is mijn bescheiden ervaring dat zowel de overheersenden als de onderworpenen zich beter gaan voelen wanneer zij leren de relatiemacht eerlijker te verdelen. Ze verwerven meer autonomie en hoeven minder van de ander te verwachten. Ze verwerven meer vaardigheden om de relatie met de ander op een plezierige en constructieve manier te benaderen. Ze leren grenzen hanteren en passende assertiviteit uitoefenen. En in uiterste gevallen: ze leren toxische relaties effectief in te perken of te beëindigen. 

Over dit onderwerp valt nog heel veel meer te zeggen, maar voor nu wil ik het laten bij deze opmerkingen over macht in relaties. Ik hoop dat ik in grote lijnen het punt heb kunnen maken dat macht, hiërarchie, overheersing en onderwerping er toe doen, en dat het in een therapie belangrijk is om in die termen te durven, kunnen en willen denken over relaties.

Achterdocht

Achterdocht is een vorm van angst. Achterdocht is een gebrek aan vertrouwen. Achterdocht gaat altijd gepaard met een bepaalde hoeveelheid agressie. Ons lichaam maakt namelijk geen onderscheid tussen angst en agressie: het is allemaal adrenaline.

Wie een beetje een achterdochtig type is, ervaart alles wat mensen zeggen en doen als een intentie, een bedoeling. Mensen die niet achterdochtig in elkaar zitten ervaren wat anderen doen en zeggen als een simpel gegeven. Dat wil zeggen ze zoeken er letterlijk niks achter.

Een voorbeeld: stel, je zegt tegen je familielid “Oh, ik zie dat het al vijf uur is”. Als je familielid een achterdochtige stijl heeft, dan zal hij of zij denken dat je daar iets mee bedoelt. Je familielid kan dus zomaar ineens van zich af bijten met “Ja hallo, als je wou dat ik eerder klaar was had je dat moeten zeggen”. Hij of zij heeft dan kennelijk het idee dat je bedoelt “Ik baal dat je nou nog niet klaar bent.” Als je familielid geen achterdochtige stijl heeft, dan zal hij of zij gewoon het gesprek aangaan over je opmerking. “Ja inderdaad. Heb je nog eventjes of moet je zo weg?”

Niet achterdochtige mensen vertrouwen er op dat je bedoelt wat je zegt, en dat je het dus wel zal zeggen wanneer je een bedoeling hebt. Ze hebben de neiging om te denken dat wat de ander zegt ook is wat die ander voelt of denkt. Ze herkennen geen slechte intenties en ze kunnen zich niet voorstellen dat iemand de bedoeling kan hebben om een ander te belazeren. Wanneer ze echt heel slecht zijn in achterdocht, dan zijn ze dus ook naïef. Dan horen ze een bedoeling zelfs niet wanneer die er dik bovenop ligt. Zelfs hele flauwe grappen kunnen hen dan ontgaan, en ze kunnen makkelijk voor de gek gehouden worden. Hun sterke punt is: ze ervaren taal als een weerspiegeling van de werkelijkheid. Taal is voor hen een instrument waarmee je datgene presenteert wat feitelijk en waar is. Ze benaderen taal zoals taal in de rechtspraak benaderd moet worden: als het instrument om waarheid te presenteren. Deze mensen ervaren waarheid en werkelijkheid als iets dat bestaat onafhankelijk van hun eigen persoon. Ze hebben er dan ook geen moeite mee om te verwachten dat de werkelijkheid er morgen nog steeds is.

Achterdochtige mensen zijn altijd bezig met de vraag wat anderen denken, wat anderen bedoelen of waar anderen op uit zijn. Ze gaan er standaard van uit dat je niet zegt wat je bedoelt, maar dat ze je bedoeling zelf moeten inschatten. Wanneer ze echt heel achterdochtig zijn, dan ervaren ze zelfs het een huilende baby of een kwispelende hond als iemand die hen manipuleert. Hun neiging om overal bedoelingen achter te zoeken kan ontsporen in wat we ‘paranoia’ noemen, waarbij ze zelfs een vliegtuig dat overvliegt kunnen ervaren als iets waar een bedoeling achter steekt. Deze mensen hebben een hele andere relatie met taal dan de niet achterdochtige mensen. Ze ervaren taal niet als een weergave van iets dat waar of echt is. Ze ervaren taal als een instrument waarmee je je door contact momenten met anderen heen slaat. Het concept ‘waarheid’ heeft in hun belevingswereld een hele andere betekenis dan in de belevingswereld van niet achterdochtige mensen. Achterdochtige mensen ervaren ‘waarheid’ als iets dat uit henzelf voortkomt, iets subjectiefs. Omdat hun wereld bestaat uit het raden van bedoelingen, is waarheid datgene dat zij geraden hebben, of datgene dat zij zelf bedoelen. Hun relatie tot de werkelijkheid is dan ook uiterst wankel: de werkelijkheid kan elk moment drastisch veranderen wanneer ze plots een andere bedoeling raden of wanneer ze een opwelling voelen waardoor ze zelf ineens een andere bedoeling hebben. Ze gebruiken taal dan ook als een instrument om zich door deze veranderlijke en verraderlijke wereld heen te slaan. Ze proberen steeds om communicatie zodanig af te handelen dat ze het gevoel krijgen dat ze van dit moment iets goeds gemaakt hebben. Veel van wat ze doen speelt zich volledig in het moment af, zonder enig duidelijk verband met vroeger of met de toekomst. Zo kunnen ze taal gebruiken om van alles te ontkennen over vroeger. Immers, taal is voor hen niet een manier om een werkelijkheid te beschrijven. Ze zijn veel te druk bezig om iets te bedoelen of om te dealen met wat ze denken dat jij bedoelt. Ze kunnen taal dus ook gebruiken om iets toe te zeggen, of iets te erkennen, of iets te bevestigen, en daar even later niks meer van weten. Immers, wat ze zeggen hoeft geen blijvende werkelijkheidswaarde te hebben. Het zijn maar woorden die met een bedoeling werden geuit, en in elk moment zijn er de bedoelingen van dat moment. Ze kunnen dan ook oprecht verbijsterd of woedend zijn wanneer je hen probeert te herinneren aan iets dat ze eerder hebben beweerd. Zulk gedrag van jouw kant moet dan volgens hen ook een bedoeling hebben, want zij leven niet in een wereld waarin er feiten buiten henzelf bestaan.

Het zal duidelijk zijn dat een klein beetje gezonde achterdocht goed is. Het is voor niet achterdochtige mensen belangrijk om de vaardigheid van de achterdocht wel een beetje te beheersen, en om niet bij alles te denken dat anderen steeds precies aan het zeggen zijn wat ze voelen of denken. Het herkennen van leugentjes om bestwil, van diplomatieke uitvluchten en van flauwe smoesjes is een gezond minimum.

Voortdurende achterdocht daarentegen is een probleem. Structureel achterdochtige mensen worden niet alleen heel moe van zichzelf, ze maken ook anderen moe. Ze zijn onvoorspelbaar en ze kunnen ook heel onbetrouwbaar zijn. Ze zijn vaak humeurig en slecht gemanierd. Ze komen regelmatig egocentrisch over, ook al kunnen ze vele uren van hun dag doorbrengen met angstvallig doen wat ze denken dat een ander fijn vindt. Wat achterdochtige mensen nodig hebben is het ontwikkelen van een relatie met de werkelijkheid. Het kunnen vertrouwen op feiten die morgen nog hetzelfde zullen zijn als vandaag, zonder dat daaraan een bedoeling kleeft. Het is een project dat vele jaren in beslag kan nemen, maar het is de moeite altijd waard, want met structurele achterdocht valt niet te leven.

Onzindossiers en communicatieproblemen

Deze blogpost heb ik meer dan tien keer opnieuw geschreven en toch weer weggegooid. Dit moet de laatste poging zijn.

Het is niet leuk om hier iets over op te schrijven. Maar het moet wel gebeuren. Ik vind dat ik moet opschrijven dat het veel voorkomt dat er fouten in dossiers staan, gewoon omdat het mensenwerk is.
Hoe vaak heb ik niet het aantal broers of zussen, of een geboortedatum, of de naam van een ex, of andere simpele gegevens verkeerd genoteerd… Dat gebeurt nu eenmaal. Maar nog veel erger is het wanneer er onzin over de cliënten, hun omgeving of hun diagnose in staat. En ook dat gebeurt heel vaak.

Dit vak is een ontzettend moeilijk vak. Het is mensenwerk aan beide kanten, zowel aan de kant van de cliënt als aan de kant van de professional. En dus zal een dossier altijd wel een beetje onzin bevatten. Het is nu eenmaal niet mogelijk om te zorgen dat een tekst daadwerkelijk weergeeft hoe de levens en karakters van mensen er uit zien, en hoe ze omgaan met de mensen in hun omgeving. Iedereen die pretendeert dat zoiets wel kan in een dossier, heeft niet begrepen hoe moeilijk dit is. De oplossing die ik ooit in de jeugdzorg door iemand hoorde noemen, om dan maar vrolijk te verklaren “Er zijn nu eenmaal vele waarheden”, is natuurlijk nog grotere onzin. Op zo’n manier cultiveer je onzindossiers alsof ze het hoogst haalbare zijn. Dat vind ik slappe hap, en ik vind het ook gevaarlijk. In plaats daarvan moeten we bescheidenheid kweken, en onze formuleringen zodanig kiezen dat we de schade van de onzin in onze dossiers beperken.

Want schade komt er echt van. Elke onzin geeft schade. Een voorbeeld: een echtpaar heeft voortdurend botsingen met de jeugdzorg over de zorg voor hun jonge kind. Ze vragen uiteindelijk het dossier maar eens op. Dat kost bijna een jaar omdat de medewerkers niet weten dat de ouders het dossier mogen opvragen, maar goed, via de rechtbank krijgen ze dan toch het dossier in handen. En dan blijkt dat de diagnose waarmee jeugdzorg probeert te werken, de diagnose van de oudere broer is, niet van het kind waarom het gaat. Uiterst pijnlijk. Maar het is mensenwerk, het kan gebeuren.
Nog een voorbeeld: de nieuwe hulpverlener krijgt een nieuwe cliënt toebedeeld die net een diagnostisch traject heeft gehad. De behandeling loopt niet, de overleggen zijn frustrerend, de cliënt klaagt steen en been. Uiteindelijk besluit de nieuwe hulpverlener met de cliënt het hele dossier door te nemen en dan blijkt dat er een diagnostisch verslag in zit dat niet klopt. Er zijn fouten gemaakt in de diagnostiek en er zijn fouten opgeschreven. Helaas. Het is mensenwerk. Het is niet anders. Het gaat er niet om of die fouten gemaakt worden, want dat is gewoon een feit. Het gaat er om hoe we ermee omgaan. En dat brengt mij op de narigheid die een tweeling is van de onzindossiers: de communicatieproblemen.

Nu zou je denken: als het psychologen zijn dan zijn ze toch zeker heel goed in communicatie? Laat ik daarover ook maar meteen duidelijk zijn. Na meer dan tien keer gefrustreerd opnieuw proberen om dit verhaaltje op te schrijven kan ik volmondig beweren: nee dat zijn psychologen eigenlijk niet. Wij zijn ook maar mensen. We leren een boel academische en postacademische kennis. Sommigen van ons leren zelfs om enigszins wetenschappelijk te denken. We leren ook wel het een en ander over communicatie. Maar dat is net als mensen die een aantal kook-cursussen hebben gedaan. Je kan nog zoveel cursussen hebben gevolgd in iets, maar je bent er pas goed in als je het heel lang en heel veel hebt beoefend, en alle fouten hebt gemaakt. En vooral: als je van alle fouten zoveel mogelijk hebt geleerd. Misschien word ik ooit zo goed in dit vak dat ik deze dingen in 1 keer kan opschrijven. Dan deel ik moeiteloos, schriftelijk, datgene dat ik in mijn hoofd heb zitten met anderen. Nou… zo ver is het dus nog niet. Ook niet na dertig jaar communiceren voor mijn dagelijks brood. Zo moeilijk zijn die dingen dus.

Communicatieproblemen zijn in dit vak een groot obstakel omdat alles van de communicatie afhangt. Het is niet mogelijk om communicatieproblemen te overschatten. Het is wel mogelijk, heel makkelijk zelfs, om communicatieproblemen over het hoofd te zien. Ik wil vandaag twee van die problemen aanstippen.

De eerste die ik wil benoemen is het probleem van alles dat niet gezegd wordt en niet gevraagd. Het is een eindeloze worsteling. Wij hulpverleners vinden het moeilijk om tegen een cliënt te zeggen: “ik wil dat u douchet en iets schoons aantrekt voordat u komt, want het spijt me wel maar dit kan zo niet.” We vinden het moeilijk om door te vragen en te zorgen dat er daadwerkelijk en duidelijk verteld wordt: “Hoe bedoelt u, ‘dan wordt ze boos’, wat moet ik me daarbij voorstellen?” We vinden het moeilijk om tegenstellingen aan te stippen: “U zegt nu ‘mijn ex’, maar daarnet zei u dat de relatie pas uit ging na uw reis naar Italië?” We vinden het moeilijk om naar problematische gedragingen te vragen: “hoeveel glaasjes per week?” “Hoe gedraagt u zich wanneer u zich ergert?” “Hoe vaak kijkt u eigenlijk porno?” “Weet uw partner dat ook?” “Kan het zijn dat u zich schaamt en dat we het nu toch moeten hebben over datgene waaraan u nu denkt?” We schrijven vaak liever klakkeloos in ons onzindossier “Cliëntes partner is meer de rationele van de twee, terwijl zijzelf meer de emotionele van de twee is”, zonder dat we enig idee hebben wat cliënte daarmee eigenlijk beschreven heeft. Heeft ze beschreven hoe ze het zelf ziet? Of heeft ze beschreven hoe haar partner het ziet? En waaraan merkt zij, of de partner, dat dit zo zou zijn? Of is dit de vorm waarin de een de ander beschuldigt tijdens ruzies? “Jij bent ook altijd veel te rationeel/emotioneel!” Er zijn weinig dingen zo moeilijk als het luisteren naar wat er nog niet gezegd is, en het benoemen van alles dat hardop benoemd moet worden om de dingen echt duidelijk te maken.

Het tweede, en het laatste waar nog wat over wil noteren vandaag, is de moeite om te praten over de wat wij, en de cliënt, denken dat er waar is. In de jeugdzorg loert dan ook altijd het verzanden in vormen van waarheidsvinding. Daar wordt het meest gevoeld dat het nodig is om een waarheid te achterhalen. Doet iemand een ander kwaad? Zo ja, kunnen we daar dan achter komen? En wat nu als we daar niet achter kunnen komen? En wat nu als dat niet het probleem is? En wat nu als we eerlijk vertellen dat we denken dat iemand iemand kwaad doet? Kunnen we dan nog wel samenwerken? Of moeten we die waarheid, die verdenking, verbergen? Maar ook in de volwassenenzorg is de vraag wat we denken dat er waar is, een vraag die we niet kunnen overslaan. Een bekend grapje dat ik leerde van een Argentijnse psychoanalyticus ging over een man die jarenlang bij de therapeut kwam klagen over ratten. Altijd had hij het over ratten. De therapeut interpreteerde er op los, over wat al die rattensymboliek voor de man betekende. Jaren later, toen de therapeut een wandeling maakte, kwam deze langs een voordeur die toevallig net geopend werd. Naar buiten kwamen een heleboel ratten, en ook… de cliënt die het zo vaak over ratten had gehad. Het drama van deze grap is natuurlijk: de therapeut dacht al die tijd dat de ratten fantasie waren, verbeelding, symboliek. Maar dat waren ze niet. De therapeut was er geen moment in geslaagd om het over de werkelijkheid van de cliënt te hebben. Dit is een daadwerkelijk risico in ons vak. We denken dat we weten waarover we het hebben, maar we hebben het niet over de werkelijkheid van de cliënt. We denken dat we het hebben over een afhankelijke, onzekere cliënt, maar de werkelijkheid is misschien wel dat de cliënt vreselijk onder de plak zit van een partner waarover hij/zij niets durft te vertellen. We denken dat we een depressie moeten behandelen maar we zien misschien wel de chronische slaapstoornis over het hoofd, die de ware oorzaak is van de uitputting en de somberheid. Of de cliënt vertelt dat zijn/haar [dierbaar familielid] het beste met hem/haar voor heeft, maar uit de verhalen rijst een beeld op van iemand die zich met alles bemoeit en die voortdurend energie zuigt. Het vak kan niet verantwoordelijk beoefend kan worden zonder deze dingen hardop met elkaar te bespreken. We hoeven niet de waarheid te proberen te dicteren aan de cliënt. En we hoeven ons ook niet alles wat ons gezegd wordt als waarheid aan te nemen. Maar wat we altijd zullen moeten doen, is durven te praten en sparren met de cliënt over hoe we aankijken tegen de vraag wat er waar is. Op zijn minst moeten wijzelf en de cliënt daar samen wat van leren. Op zijn best bereiken daarmee dat wijzelf en de cliënt in de therapie veel beter communiceren, en dat wij in het dossier veel minder onzin noteren.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén