Categorie: Professionaliteit

Relatiemacht in de sector jeugd en gezin: de eensgezindheidsdoctrine

De eensgezindheidsdoctrine is gebaseerd op ontkenning van relatiemacht en leidt tot schadelijke werkprocessen in de jeugdhulp en in de echtscheidingsbeïnvloedingsindustrie.

In mijn blogpost “Enkele inleidende opmerkingen over de betekenis van relatiemacht in therapie” heb ik benoemd dat er in elke relatie sprake is van een verdeling van de relatiemacht. Wanneer de macht in een relatie tussen twee mensen niet ongeveer 50-50 verdeeld is, dan heeft de ene persoon dus een bepaalde macht over de andere, oftewel de andere persoon wordt overheerst.

Laten we nu een fictieve casus in gedachten nemen van een gezin met kinderen waarin jaren geleden de echtscheiding is opgestart en waarin heden, jaren later, de zoveelste procedure loopt over de omgang of over andere zaken. Alle denkbare instanties en professionals zijn betrokken, het wordt een ‘vechtscheiding’ of een ‘complexe scheiding’ genoemd, en de vraag is: komt er ooit rust voor alle gezinsleden?

Onze fictieve jeugdbeschermer Anne wil zich inzetten voor het welzijn van de kinderen. Anne heeft een aantal ideeën over goed ouderschap. Zo denkt Anne bijvoorbeeld dat iedereen die kinderen heeft, vanzelfsprekend liefdevol gedrag naar de kinderen wil vertonen, en ook dat kinderen altijd liefde voor hun ouders zullen voelen. Deze denkfouten ga ik vandaag overslaan. Anne heeft namelijk nog een derde idee: Ouders die het oneens zijn, zijn dus slechte ouders, want voor goed ouderschap is het voornaamste vereiste dat ouders het met elkaar eens zijn.

Deze gedachte is een ernstige denkfout, maar dat weet Anne niet. Anne is er heilig van overtuigd dat eensgezindheid tussen de ouders de oplossing is van alles wat er mis is. De ouders moeten het eens worden. Dat moet gebeuren door ‘niet langer de strijd op te zoeken’ en door ‘beter te gaan communiceren’. Anne schakelt echtscheidingsbeïnvloedingsprofessionals in en stuurt de ouders naar het fictieve traject ‘ouders-kunnen-het-samen-na-de-scheiding’. Deze professionals maken diezelfde denkfout.

De gevolgen van de denkfout openbaren zich vanaf het begin in de werkwijze van Anne en de overige professionals. Zij vinden waarheidsvinding niet nodig, immers zij weten de belangrijkste waarheid al: dat ouders die het oneens zijn alles verpesten, en dat het enige dat echt helpt is dat ouders het weer eens worden. Zij zijn hier zo intens van overtuigd dat zij hardop vertellen, en op hun websites vermelden “Wij doen niet aan waarheidsvinding”. Zij vinden namelijk dat waarheidsvinding alleen maar ruis geeft. Waarheidsvinding leidt de aandacht af naar details zoals de beschuldigingen van stalking respectievelijk valse aangifte die de ouders over elkaar uiten. De denkwereld van het eensgezinde ouderschap is een overzichtelijke wereld met eenvoudige oplossingen.

De handelwijze van de professionals zal dan ook meteen ‘oplossingsgericht’ zijn: namelijk hoe dan ook zorgen dat de ouders niets meer zeggen of doen dat lijkt op ‘strijd’. Het hardst opgetreden moet er dan worden tegen de ouder die de zwaarste beschuldigingen uit. De ouder die het meest charmant kan doen naar de hulpverlener komt het minst ‘strijdvaardig’ over. De ouder die aangifte heeft gedaan van stalking komt het meest ‘strijdvaardig’ over en is dus een ‘slechte ouder’. Zodoende levert de doctrine een eenvoudig idee op van wat er waar is, en is verder onderzoek van feiten en gedragingen niet nodig.

Het beloop van dit type casus is niet gunstig. Er blijft zich van alles voordoen. De kinderen zeggen dat ze liever niet meer naar de charmante ouder willen. De professionals vinden dit problematisch gedrag, immers nu ‘zoeken de kinderen ook al de strijd op’. Dus moeten de kinderen gedwongen worden om meer met de charmante ouder om te gaan, en moet de zeurende ouder nu eindelijk afleren om de kinderen zo ‘op te stoken’. Dit maakt de chaos alleen maar groter in plaats van kleiner. Iedereen, professional, ouder of kind die met deze benadering te maken heeft gehad, kan uittekenen hoe het pijnlijk beloop van de casus er uit ziet. En met de kennis van de denkfout is te voorspellen welke verdere fouten de professionals nog zullen maken. Zoals de kinderen volledig bij de charmante ouder plaatsen om de ‘strijdende ouder op afstand te plaatsen’ en ‘rust te brengen in de situatie’.

De werkelijkheid van onze fictieve casus ziet er heel anders uit. Deze werkelijkheid had begrepen kunnen worden door de professionals als ze hun denkfout hadden losgelaten. In de werkelijkheid is er namelijk, zoals in elke relatie, sprake van een verdeling van de relatiemacht. Wanneer deze verdeling niet wordt onderzocht en begrepen, dan wordt de interventie dus niet aangepast aan de feiten. En dan blijven de feiten uiteraard overheersen omdat de interventie letterlijk nergens op slaat.

In onze fictieve casus heeft iedereen die dit beloop herkent, de feiten al gezien: de charmante ouder heeft vrijwel alle relatiemacht in handen en overheerst zowel de andere ouder als de kinderen. De onderdrukte ouder pleegt zo goed mogelijk opstandigheid tegen de onderdrukking, ook al denken de professionals dat dat het ‘opzoeken van de strijd’ is. De scheiding heeft de mogelijkheid tot huiselijk geweld van de charmante ouder wel verminderd, maar daarvoor in de plaats is deze overgegaan tot stalking, zwartmakerij, impliciete bedreigingen, omkoping van de kinderen, financiële sabotage, papierterreur en nog meer gedrag dat de professionals niet zien omdat ze al deze feiten beschouwen als ‘hinderlijke waarheidsvinding die alles onduidelijk maakt’ (lees: ‘die niet past bij de gedachte van zaligmakend harmonieus ouderschap’). De onderdrukte ouder in onze fictieve casus durft gelukkig door te gaan met verzet tegen de overheersing. Bovendien heeft onze fictieve onderworpen ouder een advocaat die wel de feiten begrijpt en treft de ouder bovendien een rechter met realiteitszin, waardoor de zorgregeling toch gunstig voor de kinderen wordt en de onderdrukkende ouder minder ruimte krijgt om macht uit te oefenen. En als de politie goed werk maakt van de aangifte, dan zal er ook via het strafrecht de nodige corrigerende invloed zijn op de onderdrukkende ouder.

De onderdrukking die de professionals hebben gepleegd is daarmee succesvol ingeperkt. Professionals die vasthouden aan hun denkfout zullen de casus nog steeds onbevredigend vinden, want ze hebben ‘niet de kans gekregen om te regelen dat de ouders weer in harmonie samenwerken’. In hun ogen is de casus ‘mislukt’, ook al gaat het beter met de kinderen en de onderdrukte ouder, en is de macht van de overheersende ouder aanzienlijk ingeperkt.

De denkfout van de ‘eensgezindheid’ is overigens typerend voor mensen die gewend zijn aan sektarische dynamieken. Mensen die zijn opgegroeid in sektarische gemeenschappen, strenge geloofsgroepen, met zwart-witte en inflexibele normen, en/of met een ouder die de andere ouder overheerste, zullen in de regel deze denkfout maken. Voor hen is het indelen van mensen in een hiërarchie zo doodgewoon dat ze zich er vaak niet bewust van zijn. Zij deinzen niet terug voor klakkeloos volgelingschap en ook niet voor overheersing, want zij kennen niet de ervaring van het mogen hebben van persoonlijke grenzen. Ze kennen ook niet de ervaring van het samen uitzoeken hoe ieders grenzen gerespecteerd kunnen worden. Dergelijke activiteiten ervaren zij als moeizaam, verwarrend en beangstigend, omdat ze, grenzeloos als ze zijn geworden, geen houvast vinden als er geen pikorde is. Zij zien de eenvoud van de pikorde aan voor troost. Ze zien de hiërarchie aan voor ‘rust’. Onbeantwoorde vragen maken hen gespannen. Ze willen overal een eenvoudige verklaring voor omdat ze anders last krijgen van tegenstrijdige gedachten gevoelens en behoeften. Voor hen zijn overheersing en onderwerping hetzelfde als ‘eensgezindheid’. Een ‘gezinshoofd’ met ‘gehoorzame gezinsleden’ is voor hen een voorbeeld van harmonie. Het idee dat je samen dingen uitzoekt en compromissen sluit staat hen tegen.Wanneer een compromis niet lukt, dan zijn zij radeloos, want autonomie is hen vreemd.

Uitzondering zijn diegenen die zich voldoende hebben ontworsteld aan de sektarische gemeenschap, het zwart-witte denken, het rigide geloof of aan de gezinsstructuur waarin de relatiemacht ongelijk verdeeld was. Zij zijn de mensen die hebben ontdekt dat er sprake is van macht en dus van overheersing en dus van onderworpenheid. Zij zijn degenen die hebben ontdekt dat het scheppen van een beter machtsevenwicht alleen bereikt kan worden doordat de onderdrukten opstandig blijven en doordat de macht van de overheerser wordt ingedamd totdat er een machtsevenwicht is ontstaan. Helaas zijn zij vaker de uitzondering dan de regel.

In mijn ogen heeft het zin om met professionals het gesprek aan te gaan over hun ideeën over ouderschap. Niet om iets aan hen te bewijzen, want tegenspraak tegen hun veilige zwart-witte mensbeeld is beangstigend. Bij voorkeur dus door middel van vriendelijke en uitdagende vragen, die bedoeld zijn om te veroorzaken dat de professional kritisch gaat nadenken over het één of andere aspect van hun invalshoek. Op de manier waarop mensen aan het denken gezet kunnen worden kom ik een andere keer terug.

Onzindossiers en communicatieproblemen

Deze blogpost heb ik meer dan tien keer opnieuw geschreven en toch weer weggegooid. Dit moet de laatste poging zijn.

Het is niet leuk om hier iets over op te schrijven. Maar het moet wel gebeuren. Ik vind dat ik moet opschrijven dat het veel voorkomt dat er fouten in dossiers staan, gewoon omdat het mensenwerk is.
Hoe vaak heb ik niet het aantal broers of zussen, of een geboortedatum, of de naam van een ex, of andere simpele gegevens verkeerd genoteerd… Dat gebeurt nu eenmaal. Maar nog veel erger is het wanneer er onzin over de cliënten, hun omgeving of hun diagnose in staat. En ook dat gebeurt heel vaak.

Dit vak is een ontzettend moeilijk vak. Het is mensenwerk aan beide kanten, zowel aan de kant van de cliënt als aan de kant van de professional. En dus zal een dossier altijd wel een beetje onzin bevatten. Het is nu eenmaal niet mogelijk om te zorgen dat een tekst daadwerkelijk weergeeft hoe de levens en karakters van mensen er uit zien, en hoe ze omgaan met de mensen in hun omgeving. Iedereen die pretendeert dat zoiets wel kan in een dossier, heeft niet begrepen hoe moeilijk dit is. De oplossing die ik ooit in de jeugdzorg door iemand hoorde noemen, om dan maar vrolijk te verklaren “Er zijn nu eenmaal vele waarheden”, is natuurlijk nog grotere onzin. Op zo’n manier cultiveer je onzindossiers alsof ze het hoogst haalbare zijn. Dat vind ik slappe hap, en ik vind het ook gevaarlijk. In plaats daarvan moeten we bescheidenheid kweken, en onze formuleringen zodanig kiezen dat we de schade van de onzin in onze dossiers beperken.

Want schade komt er echt van. Elke onzin geeft schade. Een voorbeeld: een echtpaar heeft voortdurend botsingen met de jeugdzorg over de zorg voor hun jonge kind. Ze vragen uiteindelijk het dossier maar eens op. Dat kost bijna een jaar omdat de medewerkers niet weten dat de ouders het dossier mogen opvragen, maar goed, via de rechtbank krijgen ze dan toch het dossier in handen. En dan blijkt dat de diagnose waarmee jeugdzorg probeert te werken, de diagnose van de oudere broer is, niet van het kind waarom het gaat. Uiterst pijnlijk. Maar het is mensenwerk, het kan gebeuren.
Nog een voorbeeld: de nieuwe hulpverlener krijgt een nieuwe cliënt toebedeeld die net een diagnostisch traject heeft gehad. De behandeling loopt niet, de overleggen zijn frustrerend, de cliënt klaagt steen en been. Uiteindelijk besluit de nieuwe hulpverlener met de cliënt het hele dossier door te nemen en dan blijkt dat er een diagnostisch verslag in zit dat niet klopt. Er zijn fouten gemaakt in de diagnostiek en er zijn fouten opgeschreven. Helaas. Het is mensenwerk. Het is niet anders. Het gaat er niet om of die fouten gemaakt worden, want dat is gewoon een feit. Het gaat er om hoe we ermee omgaan. En dat brengt mij op de narigheid die een tweeling is van de onzindossiers: de communicatieproblemen.

Nu zou je denken: als het psychologen zijn dan zijn ze toch zeker heel goed in communicatie? Laat ik daarover ook maar meteen duidelijk zijn. Na meer dan tien keer gefrustreerd opnieuw proberen om dit verhaaltje op te schrijven kan ik volmondig beweren: nee dat zijn psychologen eigenlijk niet. Wij zijn ook maar mensen. We leren een boel academische en postacademische kennis. Sommigen van ons leren zelfs om enigszins wetenschappelijk te denken. We leren ook wel het een en ander over communicatie. Maar dat is net als mensen die een aantal kook-cursussen hebben gedaan. Je kan nog zoveel cursussen hebben gevolgd in iets, maar je bent er pas goed in als je het heel lang en heel veel hebt beoefend, en alle fouten hebt gemaakt. En vooral: als je van alle fouten zoveel mogelijk hebt geleerd. Misschien word ik ooit zo goed in dit vak dat ik deze dingen in 1 keer kan opschrijven. Dan deel ik moeiteloos, schriftelijk, datgene dat ik in mijn hoofd heb zitten met anderen. Nou… zo ver is het dus nog niet. Ook niet na dertig jaar communiceren voor mijn dagelijks brood. Zo moeilijk zijn die dingen dus.

Communicatieproblemen zijn in dit vak een groot obstakel omdat alles van de communicatie afhangt. Het is niet mogelijk om communicatieproblemen te overschatten. Het is wel mogelijk, heel makkelijk zelfs, om communicatieproblemen over het hoofd te zien. Ik wil vandaag twee van die problemen aanstippen.

De eerste die ik wil benoemen is het probleem van alles dat niet gezegd wordt en niet gevraagd. Het is een eindeloze worsteling. Wij hulpverleners vinden het moeilijk om tegen een cliënt te zeggen: “ik wil dat u douchet en iets schoons aantrekt voordat u komt, want het spijt me wel maar dit kan zo niet.” We vinden het moeilijk om door te vragen en te zorgen dat er daadwerkelijk en duidelijk verteld wordt: “Hoe bedoelt u, ‘dan wordt ze boos’, wat moet ik me daarbij voorstellen?” We vinden het moeilijk om tegenstellingen aan te stippen: “U zegt nu ‘mijn ex’, maar daarnet zei u dat de relatie pas uit ging na uw reis naar Italië?” We vinden het moeilijk om naar problematische gedragingen te vragen: “hoeveel glaasjes per week?” “Hoe gedraagt u zich wanneer u zich ergert?” “Hoe vaak kijkt u eigenlijk porno?” “Weet uw partner dat ook?” “Kan het zijn dat u zich schaamt en dat we het nu toch moeten hebben over datgene waaraan u nu denkt?” We schrijven vaak liever klakkeloos in ons onzindossier “Cliëntes partner is meer de rationele van de twee, terwijl zijzelf meer de emotionele van de twee is”, zonder dat we enig idee hebben wat cliënte daarmee eigenlijk beschreven heeft. Heeft ze beschreven hoe ze het zelf ziet? Of heeft ze beschreven hoe haar partner het ziet? En waaraan merkt zij, of de partner, dat dit zo zou zijn? Of is dit de vorm waarin de een de ander beschuldigt tijdens ruzies? “Jij bent ook altijd veel te rationeel/emotioneel!” Er zijn weinig dingen zo moeilijk als het luisteren naar wat er nog niet gezegd is, en het benoemen van alles dat hardop benoemd moet worden om de dingen echt duidelijk te maken.

Het tweede, en het laatste waar nog wat over wil noteren vandaag, is de moeite om te praten over de wat wij, en de cliënt, denken dat er waar is. In de jeugdzorg loert dan ook altijd het verzanden in vormen van waarheidsvinding. Daar wordt het meest gevoeld dat het nodig is om een waarheid te achterhalen. Doet iemand een ander kwaad? Zo ja, kunnen we daar dan achter komen? En wat nu als we daar niet achter kunnen komen? En wat nu als dat niet het probleem is? En wat nu als we eerlijk vertellen dat we denken dat iemand iemand kwaad doet? Kunnen we dan nog wel samenwerken? Of moeten we die waarheid, die verdenking, verbergen? Maar ook in de volwassenenzorg is de vraag wat we denken dat er waar is, een vraag die we niet kunnen overslaan. Een bekend grapje dat ik leerde van een Argentijnse psychoanalyticus ging over een man die jarenlang bij de therapeut kwam klagen over ratten. Altijd had hij het over ratten. De therapeut interpreteerde er op los, over wat al die rattensymboliek voor de man betekende. Jaren later, toen de therapeut een wandeling maakte, kwam deze langs een voordeur die toevallig net geopend werd. Naar buiten kwamen een heleboel ratten, en ook… de cliënt die het zo vaak over ratten had gehad. Het drama van deze grap is natuurlijk: de therapeut dacht al die tijd dat de ratten fantasie waren, verbeelding, symboliek. Maar dat waren ze niet. De therapeut was er geen moment in geslaagd om het over de werkelijkheid van de cliënt te hebben. Dit is een daadwerkelijk risico in ons vak. We denken dat we weten waarover we het hebben, maar we hebben het niet over de werkelijkheid van de cliënt. We denken dat we het hebben over een afhankelijke, onzekere cliënt, maar de werkelijkheid is misschien wel dat de cliënt vreselijk onder de plak zit van een partner waarover hij/zij niets durft te vertellen. We denken dat we een depressie moeten behandelen maar we zien misschien wel de chronische slaapstoornis over het hoofd, die de ware oorzaak is van de uitputting en de somberheid. Of de cliënt vertelt dat zijn/haar [dierbaar familielid] het beste met hem/haar voor heeft, maar uit de verhalen rijst een beeld op van iemand die zich met alles bemoeit en die voortdurend energie zuigt. Het vak kan niet verantwoordelijk beoefend kan worden zonder deze dingen hardop met elkaar te bespreken. We hoeven niet de waarheid te proberen te dicteren aan de cliënt. En we hoeven ons ook niet alles wat ons gezegd wordt als waarheid aan te nemen. Maar wat we altijd zullen moeten doen, is durven te praten en sparren met de cliënt over hoe we aankijken tegen de vraag wat er waar is. Op zijn minst moeten wijzelf en de cliënt daar samen wat van leren. Op zijn best bereiken daarmee dat wijzelf en de cliënt in de therapie veel beter communiceren, en dat wij in het dossier veel minder onzin noteren.

Ontwikkelingen, maar waarheen?

Ons vak gaat momenteel twee kanten op, Er is de academische kant, die zodanig uitgehold is dat toegewijde mensen de universiteit en zelfs het vak verlaten. Sommige van hen hebben in de kranten gestaan met interviews over de moeilijkheden in academia. Weliswaar is er een grote schoonmaak gaande op het gebied van statistiek en replicatie van onderzoek, maar de komende jaren zal dit vooral betekenen dat er veel puin geruimd moet worden en dat het leeuwendeel van de populair-wetenschappelijke opvattingen over de mens op de korrel genomen moet worden. En dan is er de niet-academische populaire kant van de psychologie, waar amateurisme en briljante professionele creativiteit door elkaar lopen en nog niet van elkaar onderscheiden worden.

In de praktijk van de behandeling zie ik dezelfde moeizame ontwikkeling. De kant die we als professionals opgetrokken worden is volledig gesystematiseerd volgens evidence based principes, waarbij we bedolven worden on micromanagement. Let wel: evidence based werken is okee, daar is letterlijk niks mis mee. Maar het is sinds jaar en dag bekend dat micromanagement de manier is om mensen te demotiveren, om de taakuitvoering oppervlakkig en knullig te maken, en om elke vernieuwing en verbetering in de kiem te smoren. Toch laten de behandelaren in de psychologie zich in groten getale micromanagen zonder echt voor zichzelf op te komen. De contractvrijen behoren feitelijk ook tot deze groep. Niet omdat ze niet in verzet zijn; dat zijn ze wel. Maar het verzet betreft het ondertekenen van een nog veel verder reikend micromanagement van verzekeraars, waarbij de twee grootste struikelblokken het omzetplafond en de macht tot financiële straffen zijn die de verzekeraars kunnen uitoefenen over de behandelaar. Verder dan dat kan het verzet niet reiken: ook als contractvrije moet je je aan alle protocollen, softwaregebruik, minutenregistratie, diagnoseselectie en overig micromanagement houden om een factuur te kunnnen schrijven. Ik ben er niet zeker van wat erger is: gecontracteerd zijn en dus moeten werken als het beste kindje in de klas om je brood te kunnen behouden, of contractvrij zijn en dus moeten werken als het beste kindje in de klas om je brood te kunnen behouden. De manier waarop er jacht op je wordt gemaakt is verschillend, maar de professionele verstikking is in beide gevallen een feit.

En dan is er een groeiende groep die dus helaas gemarginaliseerd werkt. Dat zijn niet de contractvrijen, dat zijn degenen die onverzekerde zorg leveren. De meesten zijn doctorandus en hebben daarna zelf gekozen hoe ze zich verder willen scholen. Sommigen doen de cgt opleiding, anderen doen hypnose, en ga zo maar door. Ze maken gebruik van die vrije ruimte die er nog is en ze gaan gewoon aan de slag. Inderdaad, hun gelederen zijn veel minder strak gereguleerd en veel meer gevarieerd, en het ziet er naar uit dat dat voorlopig zo zal blijven. Een groeiend aantal gz-psychologen begeeft zich nu ook onder hen, om zodoende verlost te zijn van het micromanagement van de verzekerde zorg. De kwaliteit binnen deze groep psychologen is uiteraard variabel en heeft weinig tot niets met de behaalde titels te maken. Maar wat er wel is: ze zijn allemaal gemotiveerd, en ze kunnen zich in alle rust toeleggen op de uitoefening van hun vak, want ze worden niet gemangeld onder de druk van de overheid en de verzekeraars. Ze zijn de klussers in de wereld van de aannemerij. Ze kunnen op maat werken en hun eigen tarief vaststellen. (Ook al geldt dat dan weer niet voor de gz-psychologen onder hen; die moeten zorgen dat ze OVP bieden, zich aan het tarief van de zorgautoriteit houden, en zich officieel beperken tot onverzekerde zorg of tot nadrukkelijk schriftelijk aangevraagde zelfbetaalzorg.) Maar goed. Toch stukken beter dan werken in de verzekerde zorg.

Ik verwacht dat voorlopig deze trends door zullen zetten. De officiële psychologische zorg heeft de neiging geïnstitutionaliseerd en platgedrukt te worden tot het een kas is met tomatenplantjes die te zwak zijn om zonder steun overeind te staan en die allemaal precies even grote tomaatjes afleveren. Gegarandeerde tomaatjes met een gegarandeerde omvang, smaak en kwaliteit. Maar wel kunstmatige, geen echte, en zeker niet op maat. En de klusserij zal alles te bieden hebben van ondoordachte goedbedoeldheid tot aan optimale, doorwrochte psychotherapeutische interventies ongeacht de opleiding en kwalificaties van de psycholoog in kwestie. De klant moet het net als voorheen de goeden en de slechten op eigen gezag van elkaar onderscheiden. Het zal overigens ook in dit veld zijn, en niet alleen in de wetenschap, dat belangrijke vernieuwing en inzichten ontwikkeld zullen worden. Het inzicht in emotionele chantage en gaslighting is van oudsher een van de belangrijkste inzichten in de psychologie, maar het wordt voor het overgrote merendeel in deze gelederen beoefend en tot bloei gebracht.

Hoe moet dit verder? Hoe krijgen we de wetenschap weer zo menselijk dat hartstochtelijke wetenschappers niet veranderen in afgebroken kasplantjes, en hoe krijgen we de dagelijkse praktijk weer zo gezond dat ze tegelijk kan aansluiten bij de wetenschap en vrij blijven van het wurgende micromanagement dat de politiek nu via de zorgverzekeraars over ons uitstort?

Het antwoord daarop is simpel: door te zorgen dat geld niet de belangrijkste factor is in het geheel. Maar daarover later meer.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén