Categorie: dwingende groepen

Relatiemacht in de sector jeugd en gezin: de eensgezindheidsdoctrine

De eensgezindheidsdoctrine is gebaseerd op ontkenning van relatiemacht en leidt tot schadelijke werkprocessen in de jeugdhulp en in de echtscheidingsbeïnvloedingsindustrie.

In mijn blogpost “Enkele inleidende opmerkingen over de betekenis van relatiemacht in therapie” heb ik benoemd dat er in elke relatie sprake is van een verdeling van de relatiemacht. Wanneer de macht in een relatie tussen twee mensen niet ongeveer 50-50 verdeeld is, dan heeft de ene persoon dus een bepaalde macht over de andere, oftewel de andere persoon wordt overheerst.

Laten we nu een fictieve casus in gedachten nemen van een gezin met kinderen waarin jaren geleden de echtscheiding is opgestart en waarin heden, jaren later, de zoveelste procedure loopt over de omgang of over andere zaken. Alle denkbare instanties en professionals zijn betrokken, het wordt een ‘vechtscheiding’ of een ‘complexe scheiding’ genoemd, en de vraag is: komt er ooit rust voor alle gezinsleden?

Onze fictieve jeugdbeschermer Anne wil zich inzetten voor het welzijn van de kinderen. Anne heeft een aantal ideeën over goed ouderschap. Zo denkt Anne bijvoorbeeld dat iedereen die kinderen heeft, vanzelfsprekend liefdevol gedrag naar de kinderen wil vertonen, en ook dat kinderen altijd liefde voor hun ouders zullen voelen. Deze denkfouten ga ik vandaag overslaan. Anne heeft namelijk nog een derde idee: Ouders die het oneens zijn, zijn dus slechte ouders, want voor goed ouderschap is het voornaamste vereiste dat ouders het met elkaar eens zijn.

Deze gedachte is een ernstige denkfout, maar dat weet Anne niet. Anne is er heilig van overtuigd dat eensgezindheid tussen de ouders de oplossing is van alles wat er mis is. De ouders moeten het eens worden. Dat moet gebeuren door ‘niet langer de strijd op te zoeken’ en door ‘beter te gaan communiceren’. Anne schakelt echtscheidingsbeïnvloedingsprofessionals in en stuurt de ouders naar het fictieve traject ‘ouders-kunnen-het-samen-na-de-scheiding’. Deze professionals maken diezelfde denkfout.

De gevolgen van de denkfout openbaren zich vanaf het begin in de werkwijze van Anne en de overige professionals. Zij vinden waarheidsvinding niet nodig, immers zij weten de belangrijkste waarheid al: dat ouders die het oneens zijn alles verpesten, en dat het enige dat echt helpt is dat ouders het weer eens worden. Zij zijn hier zo intens van overtuigd dat zij hardop vertellen, en op hun websites vermelden “Wij doen niet aan waarheidsvinding”. Zij vinden namelijk dat waarheidsvinding alleen maar ruis geeft. Waarheidsvinding leidt de aandacht af naar details zoals de beschuldigingen van stalking respectievelijk valse aangifte die de ouders over elkaar uiten. De denkwereld van het eensgezinde ouderschap is een overzichtelijke wereld met eenvoudige oplossingen.

De handelwijze van de professionals zal dan ook meteen ‘oplossingsgericht’ zijn: namelijk hoe dan ook zorgen dat de ouders niets meer zeggen of doen dat lijkt op ‘strijd’. Het hardst opgetreden moet er dan worden tegen de ouder die de zwaarste beschuldigingen uit. De ouder die het meest charmant kan doen naar de hulpverlener komt het minst ‘strijdvaardig’ over. De ouder die aangifte heeft gedaan van stalking komt het meest ‘strijdvaardig’ over en is dus een ‘slechte ouder’. Zodoende levert de doctrine een eenvoudig idee op van wat er waar is, en is verder onderzoek van feiten en gedragingen niet nodig.

Het beloop van dit type casus is niet gunstig. Er blijft zich van alles voordoen. De kinderen zeggen dat ze liever niet meer naar de charmante ouder willen. De professionals vinden dit problematisch gedrag, immers nu ‘zoeken de kinderen ook al de strijd op’. Dus moeten de kinderen gedwongen worden om meer met de charmante ouder om te gaan, en moet de zeurende ouder nu eindelijk afleren om de kinderen zo ‘op te stoken’. Dit maakt de chaos alleen maar groter in plaats van kleiner. Iedereen, professional, ouder of kind die met deze benadering te maken heeft gehad, kan uittekenen hoe het pijnlijk beloop van de casus er uit ziet. En met de kennis van de denkfout is te voorspellen welke verdere fouten de professionals nog zullen maken. Zoals de kinderen volledig bij de charmante ouder plaatsen om de ‘strijdende ouder op afstand te plaatsen’ en ‘rust te brengen in de situatie’.

De werkelijkheid van onze fictieve casus ziet er heel anders uit. Deze werkelijkheid had begrepen kunnen worden door de professionals als ze hun denkfout hadden losgelaten. In de werkelijkheid is er namelijk, zoals in elke relatie, sprake van een verdeling van de relatiemacht. Wanneer deze verdeling niet wordt onderzocht en begrepen, dan wordt de interventie dus niet aangepast aan de feiten. En dan blijven de feiten uiteraard overheersen omdat de interventie letterlijk nergens op slaat.

In onze fictieve casus heeft iedereen die dit beloop herkent, de feiten al gezien: de charmante ouder heeft vrijwel alle relatiemacht in handen en overheerst zowel de andere ouder als de kinderen. De onderdrukte ouder pleegt zo goed mogelijk opstandigheid tegen de onderdrukking, ook al denken de professionals dat dat het ‘opzoeken van de strijd’ is. De scheiding heeft de mogelijkheid tot huiselijk geweld van de charmante ouder wel verminderd, maar daarvoor in de plaats is deze overgegaan tot stalking, zwartmakerij, impliciete bedreigingen, omkoping van de kinderen, financiële sabotage, papierterreur en nog meer gedrag dat de professionals niet zien omdat ze al deze feiten beschouwen als ‘hinderlijke waarheidsvinding die alles onduidelijk maakt’ (lees: ‘die niet past bij de gedachte van zaligmakend harmonieus ouderschap’). De onderdrukte ouder in onze fictieve casus durft gelukkig door te gaan met verzet tegen de overheersing. Bovendien heeft onze fictieve onderworpen ouder een advocaat die wel de feiten begrijpt en treft de ouder bovendien een rechter met realiteitszin, waardoor de zorgregeling toch gunstig voor de kinderen wordt en de onderdrukkende ouder minder ruimte krijgt om macht uit te oefenen. En als de politie goed werk maakt van de aangifte, dan zal er ook via het strafrecht de nodige corrigerende invloed zijn op de onderdrukkende ouder.

De onderdrukking die de professionals hebben gepleegd is daarmee succesvol ingeperkt. Professionals die vasthouden aan hun denkfout zullen de casus nog steeds onbevredigend vinden, want ze hebben ‘niet de kans gekregen om te regelen dat de ouders weer in harmonie samenwerken’. In hun ogen is de casus ‘mislukt’, ook al gaat het beter met de kinderen en de onderdrukte ouder, en is de macht van de overheersende ouder aanzienlijk ingeperkt.

De denkfout van de ‘eensgezindheid’ is overigens typerend voor mensen die gewend zijn aan sektarische dynamieken. Mensen die zijn opgegroeid in sektarische gemeenschappen, strenge geloofsgroepen, met zwart-witte en inflexibele normen, en/of met een ouder die de andere ouder overheerste, zullen in de regel deze denkfout maken. Voor hen is het indelen van mensen in een hiërarchie zo doodgewoon dat ze zich er vaak niet bewust van zijn. Zij deinzen niet terug voor klakkeloos volgelingschap en ook niet voor overheersing, want zij kennen niet de ervaring van het mogen hebben van persoonlijke grenzen. Ze kennen ook niet de ervaring van het samen uitzoeken hoe ieders grenzen gerespecteerd kunnen worden. Dergelijke activiteiten ervaren zij als moeizaam, verwarrend en beangstigend, omdat ze, grenzeloos als ze zijn geworden, geen houvast vinden als er geen pikorde is. Zij zien de eenvoud van de pikorde aan voor troost. Ze zien de hiërarchie aan voor ‘rust’. Onbeantwoorde vragen maken hen gespannen. Ze willen overal een eenvoudige verklaring voor omdat ze anders last krijgen van tegenstrijdige gedachten gevoelens en behoeften. Voor hen zijn overheersing en onderwerping hetzelfde als ‘eensgezindheid’. Een ‘gezinshoofd’ met ‘gehoorzame gezinsleden’ is voor hen een voorbeeld van harmonie. Het idee dat je samen dingen uitzoekt en compromissen sluit staat hen tegen.Wanneer een compromis niet lukt, dan zijn zij radeloos, want autonomie is hen vreemd.

Uitzondering zijn diegenen die zich voldoende hebben ontworsteld aan de sektarische gemeenschap, het zwart-witte denken, het rigide geloof of aan de gezinsstructuur waarin de relatiemacht ongelijk verdeeld was. Zij zijn de mensen die hebben ontdekt dat er sprake is van macht en dus van overheersing en dus van onderworpenheid. Zij zijn degenen die hebben ontdekt dat het scheppen van een beter machtsevenwicht alleen bereikt kan worden doordat de onderdrukten opstandig blijven en doordat de macht van de overheerser wordt ingedamd totdat er een machtsevenwicht is ontstaan. Helaas zijn zij vaker de uitzondering dan de regel.

In mijn ogen heeft het zin om met professionals het gesprek aan te gaan over hun ideeën over ouderschap. Niet om iets aan hen te bewijzen, want tegenspraak tegen hun veilige zwart-witte mensbeeld is beangstigend. Bij voorkeur dus door middel van vriendelijke en uitdagende vragen, die bedoeld zijn om te veroorzaken dat de professional kritisch gaat nadenken over het één of andere aspect van hun invalshoek. Op de manier waarop mensen aan het denken gezet kunnen worden kom ik een andere keer terug.

De rol van de dood in manipulatieve interacties

De meest simpele manier om ons, mensen, te manipuleren met de dood is door ons of onze dierbaren met de dood te bedreigen. Er zijn echter een paar andere manieren om ons met de dood te manipuleren. Deze kunnen gebaseerd worden op twee veronderstellingen, namelijk 1) dat we na onze dood blijven voortbestaan en 2) dat we na onze dood één of meer nieuwe levens op aarde zullen doormaken.

1. De gedachte dat we na onze dood nog zullen bestaan kan ons minder angstig maken voor de dood, immers het is ‘slechts een overgang naar een andere staat van zijn’. Dit kan het een stuk makkelijker maken om ons zodanig te manipuleren dat we ertoe overgaan de levens van onszelf en anderen op het spel te zetten of te beëindigen. Deze manipulatie kan extra kracht hebben wanneer er verschillende niveau’s van voortbestaan zijn na de dood. Zo kunnen we overgehaald worden om naar een extra hoog niveau te streven in het hiernamaals door specifieke handelingen te verrichten in het hier en nu. Of andersom: we kunnen overgehaald worden tot bepaalde handelingen omdat we bang zijn om in het niveau van het eeuwige lijden te belanden als we deze handelingen niet verrichten.

2. De gedachte dat we na onze dood opnieuw een heel leven zullen moeten doormaken, en daarna nog een leven en nog een leven enzovoort, kan eventueel troostrijk zijn en de dood wat minder definitief maken, maar zij kan ook minstens even angstaanjagend zijn als de gedachte aan een eeuwig hiernamaals. Er zijn ook hier diverse variaties mogelijk, bijvoorbeeld de gedachte dat we ‘gekozen hebben voor dit leven’ en dus alle schuld over alles wat ons wordt aangedaan op onszelf moeten laden. Een andere variant is dat dit leven onze ‘straf’ is voor de slechte regie die we in ons vorige leven hebben gevoerd. Niet alleen betekent het dat we graag in dit leven de dingen willen doen die ons bij de volgende ronde een beter leven zullen opleveren, het betekent ook dat we ons schuldig kunnen voelen over vele vorige levens, en dat we bereid kunnen zijn om heel veel geld uit te geven aan therapeutische activiteiten waarin we een oneindig aantal vorige levens visualiseren en analyseren op tekortkomingen. En uiteraard geldt ook hier: als we denken dat wijzelf en anderen toch niet echt dood zullen gaan door te sterven, dan bestaat de mogelijkheid om te denken dat doodgaan of doodmaken ook niet zo erg zijn. Een handige manipulator weet hier wel raad mee.

De gedachte dat we slechts eenmalig leven en dat we daarna net zo niet-bestaand zijn als voordat we geboren waren, is dus een gedachte die minder invalshoeken biedt voor manipulatie. Dit betekent dat degenen die geloven in een vorm van bestaan na of voor hun mensenleven er rekening mee moeten houden dat zij op meer manieren bang gemaakt kunnen worden of overgehaald worden tot gedragingen waarvoor zij niet vrijwillig zouden kiezen.

Sterfgevallen in groepering

Naar aanleiding van de de verhongering in een groepering in het buitenland word ik deze dagen van diverse kanten benaderd met vragen. Hieronder vindt u de vijf meest gestelde vragen en mijn antwoorden op deze vragen. Een soort FAQ, voor wat het waard is.

1
Waarom gaan mensen bij een sekte?

Antwoord: Niemand gaat bij een sekte.

De uitleg van dit antwoord is simpel.
Het begint met een betere definitie: laten we ‘sekte’ vervangen door ‘gesloten groep waarin misstanden plaatsvinden binnen de beslotenheid van de groep’.
Nu hoeven we nog maar 1 ding te weten: naar nog-niet-leden en naar nieuwelingen presenteert de groep zich als zeer aantrekkelijk, met een begerenswaardig aanbod. De leden komen pas in aanraking met de misstanden wanneer zij reeds verslingerd zijn aan het aanbod, en dan is het te laat. Dan functioneren ze alsof ze blindelings verliefd zijn, ze hebben hun bezittingen al aan de groep geschoken, ze hebben reeds hun hele familie verstoten, hen wordt verteld dat de mishandelingen ‘lessen van liefde zijn’ ‘voor hun persoonlijke groei’, enzovoorts.

Pas wanneer de nadelen vele malen groter worden dan de verheven gevoelens, of wanneer de leiding gearresteerd wordt, of wanneer ze worden verstoten uit de groepering, pas dan zullen ze -mogelijk- afkicken en zich een nieuw beeld vormen van de groepering. Net zoals wanneer een verliefdheid afneemt.

2
Gebeurt zulke zelfverhongering ook in Nederland?

Of er momenteel mensen in Nederland zijn die zich uithongeren zullen we waarschijnlijk pas weten wanneer er opvallende sterfgevallen zijn zoals recent in Kenia.

In het recente verleden zijn er wel breatharians actief geweest in Nederland. Zij ‘leven van het licht’ of ‘van de lucht’ of ‘van licht en lucht’. Er is een aantal jaren geleden ook sterfgeval geweest in Utrecht, en ik vermoed dat er ook wel gevallen van nog-niet-dodelijke verhongering zijn aangetroffen in de afgelopen jaren, maar die hebben waarschijnlijk het nieuws niet gehaald, om het maar even cru te formuleren.

3
Wie lopen er allemaal risico om in zo’n groepering te belanden?

Antwoord: Vrijwel iedereen, vooral diegenen die denken dat het hen niet kan overkomen.

Toelichting: het enige dat nodig is om in zo’n groepering te belanden, is het vermogen om ergens voor te vallen en ervoor te gáán, zogezegd. Het aanbod van de groepering kan van alles zijn, van zakelijke kansen tot en met sport en van gezondheidszorg tot en met religieus geloof.

4
Wat kan ik doen om te controleren of mijn dierbare misschien in handen van een kwalijke groepering is gevallen?

Antwoord:
Blijf steunend contact houden en vermijd pijnlijke onderwerpen.
Verdiep u in alles wat u kunt vinden over hoe dwingende groepen te werk gaan en welke effecten deze activiteiten hebben op de deelnemers.
Zoek op het internet naar informatie, evaluaties, etc.
Mocht uw duistere vermoeden bevestigd worden: deel dan, wanneer de kans zich voordoet, met uw dierbare iets over een _andere_ groepering, zodat uw dierbare eerst kan denken ‘goh wat erg voor die mensen’, en pas daarna ‘heee maar die methodes die in die docu genoemd werden, daar herken ik er ook een paar van…’
Blijf steunend contact bieden. Wie erin verzeild raakt, kan er alleen uit wanneer de omgeving _niet veroordelend_ optreedt.

5
Maar er vallen toch zeker niet zo vaak doden? En het gebeurt toch niet met kinderen?

Antwoord: Daar waar misstanden zijn vallen ook weleens doden, en ja het gebeurt uiteraard ook met de kinderen in zo’n groepering.

Toelichting:
De kinderen zijn nu eenmaal de meest kwetsbare deelnemers, en wanneer zij binnen de groepering geboren zijn kan het zijn dat niemand weet van hun bestaan. Daarnaast is het niet moeilijk om kinderen van de radar te laten verdwijnen. Ruinerwold is een goed voorbeeld, maar ook het gezin dat recent in Spanje werd aangetroffen.
Het is niet moeilijk om voorbeelden te vinden van dodelijke slachtoffers van de activiteiten binnen gesloten groepen. Ontgroeningen, religieuze offers, eerwraak, liquidaties, huiselijk geweld, Canadese kostscholen, Jonestown

Dit zijn zomaar een paar voorbeelden die me te binnen schieten.

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén