Achterdocht

Achterdocht is een vorm van angst. Achterdocht is een gebrek aan vertrouwen. Achterdocht gaat altijd gepaard met een bepaalde hoeveelheid agressie. Ons lichaam maakt namelijk geen onderscheid tussen angst en agressie: het is allemaal adrenaline.

Wie een beetje een achterdochtig type is, ervaart alles wat mensen zeggen en doen als een intentie, een bedoeling. Mensen die niet achterdochtig in elkaar zitten ervaren wat anderen doen en zeggen als een simpel gegeven. Dat wil zeggen ze zoeken er letterlijk niks achter.

Een voorbeeld: stel, je zegt tegen je familielid “Oh, ik zie dat het al vijf uur is”. Als je familielid een achterdochtige stijl heeft, dan zal hij of zij denken dat je daar iets mee bedoelt. Je familielid kan dus zomaar ineens van zich af bijten met “Ja hallo, als je wou dat ik eerder klaar was had je dat moeten zeggen”. Hij of zij heeft dan kennelijk het idee dat je bedoelt “Ik baal dat je nou nog niet klaar bent.” Als je familielid geen achterdochtige stijl heeft, dan zal hij of zij gewoon het gesprek aangaan over je opmerking. “Ja inderdaad. Heb je nog eventjes of moet je zo weg?”

Niet achterdochtige mensen vertrouwen er op dat je bedoelt wat je zegt, en dat je het dus wel zal zeggen wanneer je een bedoeling hebt. Ze hebben de neiging om te denken dat wat de ander zegt ook is wat die ander voelt of denkt. Ze herkennen geen slechte intenties en ze kunnen zich niet voorstellen dat iemand de bedoeling kan hebben om een ander te belazeren. Wanneer ze echt heel slecht zijn in achterdocht, dan zijn ze dus ook naïef. Dan horen ze een bedoeling zelfs niet wanneer die er dik bovenop ligt. Zelfs hele flauwe grappen kunnen hen dan ontgaan, en ze kunnen makkelijk voor de gek gehouden worden. Hun sterke punt is: ze ervaren taal als een weerspiegeling van de werkelijkheid. Taal is voor hen een instrument waarmee je datgene presenteert wat feitelijk en waar is. Ze benaderen taal zoals taal in de rechtspraak benaderd moet worden: als het instrument om waarheid te presenteren. Deze mensen ervaren waarheid en werkelijkheid als iets dat bestaat onafhankelijk van hun eigen persoon. Ze hebben er dan ook geen moeite mee om te verwachten dat de werkelijkheid er morgen nog steeds is.

Achterdochtige mensen zijn altijd bezig met de vraag wat anderen denken, wat anderen bedoelen of waar anderen op uit zijn. Ze gaan er standaard van uit dat je niet zegt wat je bedoelt, maar dat ze je bedoeling zelf moeten inschatten. Wanneer ze echt heel achterdochtig zijn, dan ervaren ze zelfs het een huilende baby of een kwispelende hond als iemand die hen manipuleert. Hun neiging om overal bedoelingen achter te zoeken kan ontsporen in wat we ‘paranoia’ noemen, waarbij ze zelfs een vliegtuig dat overvliegt kunnen ervaren als iets waar een bedoeling achter steekt. Deze mensen hebben een hele andere relatie met taal dan de niet achterdochtige mensen. Ze ervaren taal niet als een weergave van iets dat waar of echt is. Ze ervaren taal als een instrument waarmee je je door contact momenten met anderen heen slaat. Het concept ‘waarheid’ heeft in hun belevingswereld een hele andere betekenis dan in de belevingswereld van niet achterdochtige mensen. Achterdochtige mensen ervaren ‘waarheid’ als iets dat uit henzelf voortkomt, iets subjectiefs. Omdat hun wereld bestaat uit het raden van bedoelingen, is waarheid datgene dat zij geraden hebben, of datgene dat zij zelf bedoelen. Hun relatie tot de werkelijkheid is dan ook uiterst wankel: de werkelijkheid kan elk moment drastisch veranderen wanneer ze plots een andere bedoeling raden of wanneer ze een opwelling voelen waardoor ze zelf ineens een andere bedoeling hebben. Ze gebruiken taal dan ook als een instrument om zich door deze veranderlijke en verraderlijke wereld heen te slaan. Ze proberen steeds om communicatie zodanig af te handelen dat ze het gevoel krijgen dat ze van dit moment iets goeds gemaakt hebben. Veel van wat ze doen speelt zich volledig in het moment af, zonder enig duidelijk verband met vroeger of met de toekomst. Zo kunnen ze taal gebruiken om van alles te ontkennen over vroeger. Immers, taal is voor hen niet een manier om een werkelijkheid te beschrijven. Ze zijn veel te druk bezig om iets te bedoelen of om te dealen met wat ze denken dat jij bedoelt. Ze kunnen taal dus ook gebruiken om iets toe te zeggen, of iets te erkennen, of iets te bevestigen, en daar even later niks meer van weten. Immers, wat ze zeggen hoeft geen blijvende werkelijkheidswaarde te hebben. Het zijn maar woorden die met een bedoeling werden geuit, en in elk moment zijn er de bedoelingen van dat moment. Ze kunnen dan ook oprecht verbijsterd of woedend zijn wanneer je hen probeert te herinneren aan iets dat ze eerder hebben beweerd. Zulk gedrag van jouw kant moet dan volgens hen ook een bedoeling hebben, want zij leven niet in een wereld waarin er feiten buiten henzelf bestaan.

Het zal duidelijk zijn dat een klein beetje gezonde achterdocht goed is. Het is voor niet achterdochtige mensen belangrijk om de vaardigheid van de achterdocht wel een beetje te beheersen, en om niet bij alles te denken dat anderen steeds precies aan het zeggen zijn wat ze voelen of denken. Het herkennen van leugentjes om bestwil, van diplomatieke uitvluchten en van flauwe smoesjes is een gezond minimum.

Voortdurende achterdocht daarentegen is een probleem. Structureel achterdochtige mensen worden niet alleen heel moe van zichzelf, ze maken ook anderen moe. Ze zijn onvoorspelbaar en ze kunnen ook heel onbetrouwbaar zijn. Ze zijn vaak humeurig en slecht gemanierd. Ze komen regelmatig egocentrisch over, ook al kunnen ze vele uren van hun dag doorbrengen met angstvallig doen wat ze denken dat een ander fijn vindt. Wat achterdochtige mensen nodig hebben is het ontwikkelen van een relatie met de werkelijkheid. Het kunnen vertrouwen op feiten die morgen nog hetzelfde zullen zijn als vandaag, zonder dat daaraan een bedoeling kleeft. Het is een project dat vele jaren in beslag kan nemen, maar het is de moeite altijd waard, want met structurele achterdocht valt niet te leven.

Pesten op school: volwassenen zijn het probleem

Laat ik het zo kort mogelijk samenvatten: herhaald pesten op een school kan alleen alleen wanneer de betrokken volwassenen gezamenlijk niet genoeg doen om het pestgedrag te stoppen. De enige manier waarop iemand herhaald gepest kan zijn geweest in zijn/haar jeugd, is wanneer de volwassenen hebben gefaald in hun gezamenlijke taak om te zorgen dat alle kinderen elkaar in hun waarde laten.

Wanneer kinderen pestgedrag vertonen dan is het de verantwoordelijkheid van de volwassenen om het pestgedrag te stoppen. De volwassenen, dat zijn alle ouders, alle volwassenen op school en eventueel nog meer bij de kinderen betrokken personen zoals familie, sportcoaches, hulpverleners.

Het is onjuist om het stoppen van het pestgedrag af te schuiven op het slachtoffer door het slachtoffer op een cursus te sturen. Het is onjuist om het stoppen van het pestgedrag over te laten aan de daders door hen op cursus te sturen. Het gedrag moet actief voorkomen en gestopt worden — door de volwassenen die aanwezig zijn (en hadden moeten zijn) wanneer en waar het gebeurt of kan gebeuren.

De ouders van het gepeste kind hebben natuurlijk verantwoordelijkheid: ze moeten de volwassenen op school inschakelen die het pestgedrag op school moeten corrigeren. Ze hebben nog een verantwoordelijkheid: ze moeten de school er zo vaak mogelijk en steeds indringender op aanspreken dat de school moet garanderen dat hun kind daar veilig en gerespecteerd de schooldag doorbrengt. Wanneer overleggen niet genoeg is dan hebben ze de taak om uit te zoeken welke acties en maatregelen ze nog meer kunnen inzetten om te zorgen dat hun kind op een school zit die veiligheid en correcte bejegening garandeert aan hun kind.

De volwassenen op school hebben de verantwoordelijkheid om te zorgen dat elk kind op school gerespecteerd wordt door andere kinderen. Ze moeten kinderen (en hun ouders) hierop aanspreken en/of verdere acties ondernemen wanneer kinderen (en/of hun ouders) weigeren om andere kinderen in de klas met rust te laten.

Elke volwassene die herhaald en/of langdurig gepest is op school, is feitelijk in de steek gelaten door de gezamenlijke volwassenen die aanwezig waren in zijn/haar leven destijds. Natuurlijk is het terecht om herinneringen te hebben aan gemene kinderen die nare dingen deden. Maar om de impact van het pesten volledige te begrijpen is het nodig om de optelsom van het gedrag van de volwassenen te begrijpen. Hebben alle aanwezige volwassenen het zich aangetrokken? Wilden ze het weten? Waren ze bereid om er iets tegen te doen? Hebben ze geprobeerd samen te werken met de andere betrokken volwassenen? Hebben ze doorgezet? Hebben ze alles uit de kast gehaald? Hebben ze ‘met de vuist op tafel geslagen’ om door te dringen tot de andere volwassenen? Hebben ze het gepeste kind ooit verteld “wij als volwassenen en opvoeders moeten zorgen dat de pesters stoppen, het is onze taak en ik doe er alles aan, je mag me daar altijd vragen over stellen”? Of hebben ze het gepeste kind, de pesters en alle andere kinderen in de steek gelaten door het ‘niet te begrijpen’, ‘niet opgemerkt te hebben’, ‘niet te geloven’, of door anderen de schuld toe te schuiven terwijl ze zelf niet genoeg deden, of door zich te verschuilen achter een liefdevol maar volkomen passief ‘medeleven’ met het gepeste kind, of door de pesters te ‘verdedigen tegen kritiek’?

De allergrootste schade door herhaald en langdurig pesten op school ontstaat dan ook niet door het pesten zelf, maar door de indringende ervaring dat er in tijden van wanhoop en ellende niemand in de wereld voor je klaar zal staan. Deze schade is zo groot dat sommige kinderen en volwassenen het niet zien zitten om een mensenleven in de wereld door te brengen: ze plegen liever zelfmoord. Zij die doorleven, hebben de taak om af te rekenen met de negatieve emoties over het leven in een wereld die, naar hun ervaring, er niet voor hen zal zijn wanneer het er op aan komt.

Het afrekenen met deze emoties begint met het besef dat de volwassenen, ieder vanuit hun eigen rol, meer hadden moeten doen. Niet door deze volwassenen te beschuldigen, maar door te durven zien wat de aard van hun tekort was en door te durven zien hoe hun tekort tot stand kwam. Door dit te doorgronden, kunnen de nieuwe volwassenen werken om dergelijke tekorten tegen te gaan. Niet alleen kunnen ze een persoonlijk tekort vermijden, ook kunnen ze anderen helpen om tekorten op te lossen.

Oorlogsnieuws en de impact op psychische gezondheid

/

Iemand vroeg mij hoe om te gaan met de impact van het nieuws over de oorlog in Oekraïne op onze psychische gezondheid. Mijn antwoord kan voor meer mensen nuttig zijn. Hieronder dus mijn antwoord op hun vraag:

Ik snap je probleem. 
Ik denk dat het in tijden van oorlog een feit is dat de ‘gegevens van vandaag’ altijd vol zitten met verwarring, gebrek aan overzicht, verzinsels, propaganda, en emotie. 

Mijn advies is om de oorlog te volgen met de methode van een middeleeuws dorp: soms komt er een ruiter van ver weg, en die weet nieuwtjes uit een regio waar je als dorpeling zelf nooit zult komen. De nieuwtjes zullen altijd een beetje oud zijn, maar daardoor zijn er -hopelijk- ook al een aantal vormen van nonsens uit gefilterd. 

In het huidige tijdperk betekent dat dat je beter geïnformeerd bent als je de dag van vandaag, en de afgelopen paar dagen, aan je voorbij laat gaan, en zorgvuldig op zoek gaat naar lange geschreven artikelen die over een langere periode gaan en waaraan veel tijd is besteed om gegevens te verzamelen en te checken. 

Wat ook heel belangrijk is bij het volgen van vreselijk nieuws zoals nieuws over een oorlog: vermijd beeldmateriaal. Het heeft veel te veel impact op ons arme apenbreintje. We weten al hoe erg een oorlog er uit ziet, we hebben allemaal al eens een oorlogsfoto gezien. 

We neigen met ons apenbreintje altijd om te denken dat we het beste inzicht in een gebeurtenis hebben als we er in het hier en nu bovenop zitten met onze aandacht. In werkelijkheid is het andersom: het inzicht in een gebeurtenis ontwikkelt zich pas na de gebeurtenis, wanneer ook alle verbanden met andere gebeurtenissen, alle context, alle voorafgaande gebeurtenissen en invloeden, en de gevolgen van de gebeurtenis duidelijk worden. 

En een laatste techniek, voor als je toch ‘heet van de naald nieuws’ wil volgen: dan zal je bij alles moeten denken: “Ik ben benieuwd of dit wel helemaal klopt, laten we afwachten hoe de beeldvorming hierover zich verder ontwikkelt”

“Bijna iedereen kan in een situatie van psychische dwang belanden”

Volkskrant 9 november 2021
Interview met ondergetekende over de dynamieken van sektarische en andere door machtsrelaties.

Een citaat uit het interview:

Psychische mishandeling is volgens het CBS een van de meest voorkomende vormen van huiselijk geweld. Kun je een relatie waarbij sprake is van dwang zien als een soort minisekte, of zijn er ook verschillen?
‘Het patroon van onderdrukking en onverwacht ophemelen is precies het- zelfde in zo’n relatie, maar dan een op een. Wat een groepering anders maakt, is dat er een bepaalde gemeenschappelijke beeldvorming is en de druk niet alleen door de leider wordt uitgeoefend, maar ook door de leden onderling. Die groepsdruk is een vermenigvuldigingsfactor voor ellende.’ “


Onzindossiers en communicatieproblemen

Deze blogpost heb ik meer dan tien keer opnieuw geschreven en toch weer weggegooid. Dit moet de laatste poging zijn.

Het is niet leuk om hier iets over op te schrijven. Maar het moet wel gebeuren. Ik vind dat ik moet opschrijven dat het veel voorkomt dat er fouten in dossiers staan, gewoon omdat het mensenwerk is.
Hoe vaak heb ik niet het aantal broers of zussen, of een geboortedatum, of de naam van een ex, of andere simpele gegevens verkeerd genoteerd… Dat gebeurt nu eenmaal. Maar nog veel erger is het wanneer er onzin over de cliënten, hun omgeving of hun diagnose in staat. En ook dat gebeurt heel vaak.

Dit vak is een ontzettend moeilijk vak. Het is mensenwerk aan beide kanten, zowel aan de kant van de cliënt als aan de kant van de professional. En dus zal een dossier altijd wel een beetje onzin bevatten. Het is nu eenmaal niet mogelijk om te zorgen dat een tekst daadwerkelijk weergeeft hoe de levens en karakters van mensen er uit zien, en hoe ze omgaan met de mensen in hun omgeving. Iedereen die pretendeert dat zoiets wel kan in een dossier, heeft niet begrepen hoe moeilijk dit is. De oplossing die ik ooit in de jeugdzorg door iemand hoorde noemen, om dan maar vrolijk te verklaren “Er zijn nu eenmaal vele waarheden”, is natuurlijk nog grotere onzin. Op zo’n manier cultiveer je onzindossiers alsof ze het hoogst haalbare zijn. Dat vind ik slappe hap, en ik vind het ook gevaarlijk. In plaats daarvan moeten we bescheidenheid kweken, en onze formuleringen zodanig kiezen dat we de schade van de onzin in onze dossiers beperken.

Want schade komt er echt van. Elke onzin geeft schade. Een voorbeeld: een echtpaar heeft voortdurend botsingen met de jeugdzorg over de zorg voor hun jonge kind. Ze vragen uiteindelijk het dossier maar eens op. Dat kost bijna een jaar omdat de medewerkers niet weten dat de ouders het dossier mogen opvragen, maar goed, via de rechtbank krijgen ze dan toch het dossier in handen. En dan blijkt dat de diagnose waarmee jeugdzorg probeert te werken, de diagnose van de oudere broer is, niet van het kind waarom het gaat. Uiterst pijnlijk. Maar het is mensenwerk, het kan gebeuren.
Nog een voorbeeld: de nieuwe hulpverlener krijgt een nieuwe cliënt toebedeeld die net een diagnostisch traject heeft gehad. De behandeling loopt niet, de overleggen zijn frustrerend, de cliënt klaagt steen en been. Uiteindelijk besluit de nieuwe hulpverlener met de cliënt het hele dossier door te nemen en dan blijkt dat er een diagnostisch verslag in zit dat niet klopt. Er zijn fouten gemaakt in de diagnostiek en er zijn fouten opgeschreven. Helaas. Het is mensenwerk. Het is niet anders. Het gaat er niet om of die fouten gemaakt worden, want dat is gewoon een feit. Het gaat er om hoe we ermee omgaan. En dat brengt mij op de narigheid die een tweeling is van de onzindossiers: de communicatieproblemen.

Nu zou je denken: als het psychologen zijn dan zijn ze toch zeker heel goed in communicatie? Laat ik daarover ook maar meteen duidelijk zijn. Na meer dan tien keer gefrustreerd opnieuw proberen om dit verhaaltje op te schrijven kan ik volmondig beweren: nee dat zijn psychologen eigenlijk niet. Wij zijn ook maar mensen. We leren een boel academische en postacademische kennis. Sommigen van ons leren zelfs om enigszins wetenschappelijk te denken. We leren ook wel het een en ander over communicatie. Maar dat is net als mensen die een aantal kook-cursussen hebben gedaan. Je kan nog zoveel cursussen hebben gevolgd in iets, maar je bent er pas goed in als je het heel lang en heel veel hebt beoefend, en alle fouten hebt gemaakt. En vooral: als je van alle fouten zoveel mogelijk hebt geleerd. Misschien word ik ooit zo goed in dit vak dat ik deze dingen in 1 keer kan opschrijven. Dan deel ik moeiteloos, schriftelijk, datgene dat ik in mijn hoofd heb zitten met anderen. Nou… zo ver is het dus nog niet. Ook niet na dertig jaar communiceren voor mijn dagelijks brood. Zo moeilijk zijn die dingen dus.

Communicatieproblemen zijn in dit vak een groot obstakel omdat alles van de communicatie afhangt. Het is niet mogelijk om communicatieproblemen te overschatten. Het is wel mogelijk, heel makkelijk zelfs, om communicatieproblemen over het hoofd te zien. Ik wil vandaag twee van die problemen aanstippen.

De eerste die ik wil benoemen is het probleem van alles dat niet gezegd wordt en niet gevraagd. Het is een eindeloze worsteling. Wij hulpverleners vinden het moeilijk om tegen een cliënt te zeggen: “ik wil dat u douchet en iets schoons aantrekt voordat u komt, want het spijt me wel maar dit kan zo niet.” We vinden het moeilijk om door te vragen en te zorgen dat er daadwerkelijk en duidelijk verteld wordt: “Hoe bedoelt u, ‘dan wordt ze boos’, wat moet ik me daarbij voorstellen?” We vinden het moeilijk om tegenstellingen aan te stippen: “U zegt nu ‘mijn ex’, maar daarnet zei u dat de relatie pas uit ging na uw reis naar Italië?” We vinden het moeilijk om naar problematische gedragingen te vragen: “hoeveel glaasjes per week?” “Hoe gedraagt u zich wanneer u zich ergert?” “Hoe vaak kijkt u eigenlijk porno?” “Weet uw partner dat ook?” “Kan het zijn dat u zich schaamt en dat we het nu toch moeten hebben over datgene waaraan u nu denkt?” We schrijven vaak liever klakkeloos in ons onzindossier “Cliëntes partner is meer de rationele van de twee, terwijl zijzelf meer de emotionele van de twee is”, zonder dat we enig idee hebben wat cliënte daarmee eigenlijk beschreven heeft. Heeft ze beschreven hoe ze het zelf ziet? Of heeft ze beschreven hoe haar partner het ziet? En waaraan merkt zij, of de partner, dat dit zo zou zijn? Of is dit de vorm waarin de een de ander beschuldigt tijdens ruzies? “Jij bent ook altijd veel te rationeel/emotioneel!” Er zijn weinig dingen zo moeilijk als het luisteren naar wat er nog niet gezegd is, en het benoemen van alles dat hardop benoemd moet worden om de dingen echt duidelijk te maken.

Het tweede, en het laatste waar nog wat over wil noteren vandaag, is de moeite om te praten over de wat wij, en de cliënt, denken dat er waar is. In de jeugdzorg loert dan ook altijd het verzanden in vormen van waarheidsvinding. Daar wordt het meest gevoeld dat het nodig is om een waarheid te achterhalen. Doet iemand een ander kwaad? Zo ja, kunnen we daar dan achter komen? En wat nu als we daar niet achter kunnen komen? En wat nu als dat niet het probleem is? En wat nu als we eerlijk vertellen dat we denken dat iemand iemand kwaad doet? Kunnen we dan nog wel samenwerken? Of moeten we die waarheid, die verdenking, verbergen? Maar ook in de volwassenenzorg is de vraag wat we denken dat er waar is, een vraag die we niet kunnen overslaan. Een bekend grapje dat ik leerde van een Argentijnse psychoanalyticus ging over een man die jarenlang bij de therapeut kwam klagen over ratten. Altijd had hij het over ratten. De therapeut interpreteerde er op los, over wat al die rattensymboliek voor de man betekende. Jaren later, toen de therapeut een wandeling maakte, kwam deze langs een voordeur die toevallig net geopend werd. Naar buiten kwamen een heleboel ratten, en ook… de cliënt die het zo vaak over ratten had gehad. Het drama van deze grap is natuurlijk: de therapeut dacht al die tijd dat de ratten fantasie waren, verbeelding, symboliek. Maar dat waren ze niet. De therapeut was er geen moment in geslaagd om het over de werkelijkheid van de cliënt te hebben. Dit is een daadwerkelijk risico in ons vak. We denken dat we weten waarover we het hebben, maar we hebben het niet over de werkelijkheid van de cliënt. We denken dat we het hebben over een afhankelijke, onzekere cliënt, maar de werkelijkheid is misschien wel dat de cliënt vreselijk onder de plak zit van een partner waarover hij/zij niets durft te vertellen. We denken dat we een depressie moeten behandelen maar we zien misschien wel de chronische slaapstoornis over het hoofd, die de ware oorzaak is van de uitputting en de somberheid. Of de cliënt vertelt dat zijn/haar [dierbaar familielid] het beste met hem/haar voor heeft, maar uit de verhalen rijst een beeld op van iemand die zich met alles bemoeit en die voortdurend energie zuigt. Het vak kan niet verantwoordelijk beoefend kan worden zonder deze dingen hardop met elkaar te bespreken. We hoeven niet de waarheid te proberen te dicteren aan de cliënt. En we hoeven ons ook niet alles wat ons gezegd wordt als waarheid aan te nemen. Maar wat we altijd zullen moeten doen, is durven te praten en sparren met de cliënt over hoe we aankijken tegen de vraag wat er waar is. Op zijn minst moeten wijzelf en de cliënt daar samen wat van leren. Op zijn best bereiken daarmee dat wijzelf en de cliënt in de therapie veel beter communiceren, en dat wij in het dossier veel minder onzin noteren.

Ontwikkelingen, maar waarheen?

Ons vak gaat momenteel twee kanten op, Er is de academische kant, die zodanig uitgehold is dat toegewijde mensen de universiteit en zelfs het vak verlaten. Sommige van hen hebben in de kranten gestaan met interviews over de moeilijkheden in academia. Weliswaar is er een grote schoonmaak gaande op het gebied van statistiek en replicatie van onderzoek, maar de komende jaren zal dit vooral betekenen dat er veel puin geruimd moet worden en dat het leeuwendeel van de populair-wetenschappelijke opvattingen over de mens op de korrel genomen moet worden. En dan is er de niet-academische populaire kant van de psychologie, waar amateurisme en briljante professionele creativiteit door elkaar lopen en nog niet van elkaar onderscheiden worden.

In de praktijk van de behandeling zie ik dezelfde moeizame ontwikkeling. De kant die we als professionals opgetrokken worden is volledig gesystematiseerd volgens evidence based principes, waarbij we bedolven worden on micromanagement. Let wel: evidence based werken is okee, daar is letterlijk niks mis mee. Maar het is sinds jaar en dag bekend dat micromanagement de manier is om mensen te demotiveren, om de taakuitvoering oppervlakkig en knullig te maken, en om elke vernieuwing en verbetering in de kiem te smoren. Toch laten de behandelaren in de psychologie zich in groten getale micromanagen zonder echt voor zichzelf op te komen. De contractvrijen behoren feitelijk ook tot deze groep. Niet omdat ze niet in verzet zijn; dat zijn ze wel. Maar het verzet betreft het ondertekenen van een nog veel verder reikend micromanagement van verzekeraars, waarbij de twee grootste struikelblokken het omzetplafond en de macht tot financiële straffen zijn die de verzekeraars kunnen uitoefenen over de behandelaar. Verder dan dat kan het verzet niet reiken: ook als contractvrije moet je je aan alle protocollen, softwaregebruik, minutenregistratie, diagnoseselectie en overig micromanagement houden om een factuur te kunnnen schrijven. Ik ben er niet zeker van wat erger is: gecontracteerd zijn en dus moeten werken als het beste kindje in de klas om je brood te kunnen behouden, of contractvrij zijn en dus moeten werken als het beste kindje in de klas om je brood te kunnen behouden. De manier waarop er jacht op je wordt gemaakt is verschillend, maar de professionele verstikking is in beide gevallen een feit.

En dan is er een groeiende groep die dus helaas gemarginaliseerd werkt. Dat zijn niet de contractvrijen, dat zijn degenen die onverzekerde zorg leveren. De meesten zijn doctorandus en hebben daarna zelf gekozen hoe ze zich verder willen scholen. Sommigen doen de cgt opleiding, anderen doen hypnose, en ga zo maar door. Ze maken gebruik van die vrije ruimte die er nog is en ze gaan gewoon aan de slag. Inderdaad, hun gelederen zijn veel minder strak gereguleerd en veel meer gevarieerd, en het ziet er naar uit dat dat voorlopig zo zal blijven. Een groeiend aantal gz-psychologen begeeft zich nu ook onder hen, om zodoende verlost te zijn van het micromanagement van de verzekerde zorg. De kwaliteit binnen deze groep psychologen is uiteraard variabel en heeft weinig tot niets met de behaalde titels te maken. Maar wat er wel is: ze zijn allemaal gemotiveerd, en ze kunnen zich in alle rust toeleggen op de uitoefening van hun vak, want ze worden niet gemangeld onder de druk van de overheid en de verzekeraars. Ze zijn de klussers in de wereld van de aannemerij. Ze kunnen op maat werken en hun eigen tarief vaststellen. (Ook al geldt dat dan weer niet voor de gz-psychologen onder hen; die moeten zorgen dat ze OVP bieden, zich aan het tarief van de zorgautoriteit houden, en zich officieel beperken tot onverzekerde zorg of tot nadrukkelijk schriftelijk aangevraagde zelfbetaalzorg.) Maar goed. Toch stukken beter dan werken in de verzekerde zorg.

Ik verwacht dat voorlopig deze trends door zullen zetten. De officiële psychologische zorg heeft de neiging geïnstitutionaliseerd en platgedrukt te worden tot het een kas is met tomatenplantjes die te zwak zijn om zonder steun overeind te staan en die allemaal precies even grote tomaatjes afleveren. Gegarandeerde tomaatjes met een gegarandeerde omvang, smaak en kwaliteit. Maar wel kunstmatige, geen echte, en zeker niet op maat. En de klusserij zal alles te bieden hebben van ondoordachte goedbedoeldheid tot aan optimale, doorwrochte psychotherapeutische interventies ongeacht de opleiding en kwalificaties van de psycholoog in kwestie. De klant moet het net als voorheen de goeden en de slechten op eigen gezag van elkaar onderscheiden. Het zal overigens ook in dit veld zijn, en niet alleen in de wetenschap, dat belangrijke vernieuwing en inzichten ontwikkeld zullen worden. Het inzicht in emotionele chantage en gaslighting is van oudsher een van de belangrijkste inzichten in de psychologie, maar het wordt voor het overgrote merendeel in deze gelederen beoefend en tot bloei gebracht.

Hoe moet dit verder? Hoe krijgen we de wetenschap weer zo menselijk dat hartstochtelijke wetenschappers niet veranderen in afgebroken kasplantjes, en hoe krijgen we de dagelijkse praktijk weer zo gezond dat ze tegelijk kan aansluiten bij de wetenschap en vrij blijven van het wurgende micromanagement dat de politiek nu via de zorgverzekeraars over ons uitstort?

Het antwoord daarop is simpel: door te zorgen dat geld niet de belangrijkste factor is in het geheel. Maar daarover later meer.

De lange weg van de jeugdzorg

Nu ik een aardige poos meedraai in de hulpverlening heb ik enkele verschillende etappes in het doctrines van de jeugdzorg voorbij zien komen. Ik moest er even over nadenken: ‘doctrines’? Maar ik denk dat ik het toch zo ga noemen, want de andere woorden die ik kon bedenken, tja, die deden het nog minder.

In de jaren negentig waren we ons langzaam gaan losmaken van het idee dat als kinderen nou maar een vaste verzorgende ouder hebben… nou…  dan is het niet erg als de andere ouder volledig verstoten en zwartgemaakt wordt. Inmiddels zijn we zo ver dat ouderverstoting niet meer schouderophalend als een soort noodzakelijk kwaad wordt toegestaan in vechtscheidingen. Dat is een vooruitgang voor vele zwartgemaakte vaders en moeders. Maar vooral voor de kinderen die voorheen zonder blikken of blozen werden toevertrouwd aan de meest kwaadaardige van de twee ouders. Immers, aan degene die de ander tot elke prijs buiten het leven van de kinderen manoeuvreerde.

Daarna, in het begin van de 21ste eeuw, heb ik een tijdlang de indruk gehad dat we een hoge prijs betaalden voor medische vooruitgang: ineens was alles dat artsen niet kunnen verklaren, een geval van factitious disorder by proxy, oftewel Münchhausen by Proxy. Ik heb de meest wonderlijke taferelen gezien waarbij doodzieke kinderen uit huis geplaatst moesten worden omdat de artsen ten onrechte van mening waren dat de ouders de schuld hadden van de ziekte van de kinderen. Met name in deze zaken heb ik de epistemologie van het AMK (tegenwoordig ironisch genoeg ‘Veilig Thuis’ geheten) met verbazing bekeken. Ze hadden soms nauwelijks informatie nodig: een bericht uit het ziekenhuis was genoeg. De ouders zelf werden letterlijk als allerlaatsten te woord gestaan, soms pas weken nadat het AMK aan de slag was gegaan met de casus.

Inmiddels zitten we in alweer een volgend tijdperk. De nieuwste loot aan de boom van belangrijke ideeën over de behoeften van kinderen is de hechte band met beide ouders. Dit lijkt op het eerste oog een onschuldige en zinnige insteek. Wie wil er nu niet dat kinderen een hechte band met beide ouders opbouwen? Nou, dat is heel eenvoudig: om te beginnen willen de kinderen zelf het soms niet. Bijvoorbeeld wanneer zij hebben gezien hoe hun ene ouder de andere ouder probeerde te vermoorden. Of wanneer zij zelf ernstig mishandeld of misbruikt zijn. Deze kinderen vinden een echtscheiding meestal een grote opluchting, en ze zijn heel blij als ze voorlopig niet in de buurt van de gewelddadige ouder hoeven te komen. Maar daar denkt jeugdzorg vaak heel anders over. Ik zie zaken waarin de jeugdzorg alles op alles zet om kinderen die dat niet willen (en voor wie het waarschijnlijk ook niet gezond is) koste wat kost op een intensieve bezoekregeling te zetten met een dader van ernstige misdrijven. Want als ze maar met die dader een band opbouwen, dan gaat het goed met hun ontwikkeling, zo staat er telkens in de stukken. Ik heb weleens gezegd dat ik zelf helemaal geen band zou willen opbouwen met degene die mij verkracht en bijna gewurgd had, maar dat was aan dovemans oren. Ontwikkeling. Band. Dat is ook een doctrine.

In samenhang hiermee hebben we nu ook te maken met de opvatting dat beide ouders altijd goed moeten overleggen. Hiertoe wordt eindeloos doorgezaagd, en goudgeld rondgepompt in verplichte cursussen en verplichte mediations. Volkomen zinloos, want als één van de twee ouders geen zin heeft in goed samenwerken, dan gaat dat hele samenwerken dus niet lukken. Dat zou nog tot daar aan toe zijn als de jeugdzorg dit gegeven ook zou opmerken. Maar dat zie ik regelmatig misgaan. Dan wordt verkondigd dat ‘de ouders niet goed samenwerken’ en dat ‘de ouders het beter moeten doen’. Dat is net zoiets als naar twee kinderen schreeuwen ‘houdem jullie daar eens mee op’ zonder te erkennen dat het ene kind aan het pesten is en het andere kind zich wanhopig probeert staande te houden. Het einde van deze doctrine is nog niet in zicht, helaas.

Ik denk trouwens dat heel veel einden nog niet in zicht zijn. We hebben nu wel grotendeels vastgesteld dat geweld en seksueel misbruik niet geschikt worden geacht voor kinderen of voor het gezinsleven. Maar we hebben nog geen evenwichtige visie op stress en ziekte, gezonde hechting en gezonde afwijzing, machtsverschillen in relaties, of de asymmetrische conflicten die zich in vechtscheidingen voordoen, waarbij de ene ouder meer verantwoordelijk is voor de botsingen dan de andere. We hebben nog een hele lange weg te gaan.

‘U mag’: cipierstaal in zorg en dienstverlening

“U mag uw jas daar ophangen”, “U mag op de link klikken”, de toestemmingen vliegen me om de oren wanneer ik met helpdesks, bedienend personeel of verplegend personeel te maken heb. Een tijdlang heb ik mijn ergernis verzwegen en gedacht “Het is een modeverschijnseltje, een onhandige misvatting, het waait wel over”. Maar inmiddels ben ik uit die roze droom ontwaakt. Het is een plaag, een pest, een ernstige ziekte die zich een weg baant door onze hele samenleving.

Ik heb lang genoeg in het bajeswezen rondgelopen om te weten wat ‘U mag’ betekent. ‘U mag’ is cipierstaal, het is arrestatie-taal. “U mag dáár gaan staan,” zegt een cipier of een agent, op zo’n typische nadrukkelijke toon. En dan kan je maar beter gehoorzamen, want gehoorzamen is wat je moet doen wanneer een cipier of een agent je een opdracht geeft.

Ik heb inmiddels een idee waar dit vandaan komt, dankzij het antwoord dat ik kreeg van iemand die in de bediening werkte in een restaurant. Ik verteld hem dat ik “u mag” nogal een dominante aanspreekvorm vond. “Ja maar, u móet niet!” zei hij verbaasd. U moet niet. Dus u mag. Zo eenvoudig is het, en daarom gaat iedereen elkaar nu toestemming verlenen…

Het is en blijft toestemming verlenen. Wanneer ik vraag hoe ze het in het Engels zouden zeggen, krijg ik steevast als antwoord “You can..”. Maar dat klopt niet, want “You can” betekent “U kunt”. Als je “U mag” goed wil vertalen, dan moet je “You’re allowed” zeggen, of “You have my permission.” Maar dat wil niemand zeggen in het Engels, ze zeggen allemaal ‘You can’. Toch wonderlijk, dat in het Engels de ware taal van de dienstverlening dan weer tot leven komt, terwijl ze in het Nederlands aan het vergaan is waar we bij staan.

Op plekken waar men nog echt studie heeft gemaakt van dienstverlening zal men het niet wagen om ‘u mag’ te zeggen. Daar wordt keurig gezegd “U kunt uw jas daar links in de garderobe hangen”. U kunt. U hebt een keuze. Het wordt u aangeboden, voorgesteld, aangereikt, en de keuze is geheel aan u. Zo ziet een tactvolle interactie er uit. Daar verleent men service, geen toestemming.

Inmiddels heb ik mezelf toestemming verleend om in opstand te komen. Ik ga waar ik maar kan een gesprekje aan over ‘u mag’. Ik probeer diverse manieren uit om tot de gesprekspartner door te dringen. Dat het cipierstaal is kan je beter niet meteen benoemen. Maar dat is wel heel geschikt om in de loop van het gesprek uit te leggen. Het is voor veel mensen heel verhelderend. De vertaalvraag naar het Engels zet heel wat mensen aan het denken. Een meer ludieke manier is “Natuurlijk mag ik dat, u kunt het niet verbieden…”. Die trekt aandacht en zet mensen eventjes op het verkeerde been, waardoor ze zich openstellen voor de verrassing van wat “U mag” eigenlijk zegt.

Meestal word ik met enige verbazing ontvangen, en krijg ik te horen dat men erover na gaat denken. Soms voelt de persoon in kwestie zich opgelaten en krijg ik te horen dat het toch gewoon goed bedoeld is. En de laatste tijd krijg ik steeds vaker te horen dat er misschien wel wat in zit om ‘u kunt’ te zeggen. Gelukkig maar. Misschien kunnen we dan toch nog ophouden met elkaar massaal toestemming geven voor dingen waarover we niets te zeggen hebben.

Sorry is geen toverwoord

“Zeg sorry tegen je zusje, vooruit!”
Het is een zinnetje dat ik vele varianten vele malen per week hoor, vooral omdat ik veel omga met mensen die kinderen hebben en/of aan kinderen lesgeven.

We hebben tegenwoordig kennelijk een moderne opvatting over ‘sorry zeggen’. Het scenario is als volgt: Het ene kind doet iets dat het andere kind naar vindt. Het andere kind protesteert, maar zonder succes. Er moet een volwassene aan te pas komen. De volwassene roept beide kinderen bij zich. Ze moeten elkaar verplicht aankijken. De dader moet sorry zeggen en het slachtoffer moet naar de dader luisteren. Eventueel moeten ze elkaar ook nog een hand geven. Vervolgens moet alles weer goed zijn en moeten ze tevreden samen spelen.

Ik krijg de indruk dat dit scenario tegenwoordig als correcte opvoeding wordt beschouwd. Maar dat is het niet. Integendeel. Het is, eerlijk gezegd, nogal wanstaltig.

De achtergrondgedachte is dat de slechte daad moet worden goedgemaakt, uitgewist, en dat deze daarna vergeten kan worden zodat beide partijen met een soortement schone lei weer samen door een deur kunnen. De werkelijkheid van deze praktijk is dat er overtreders worden gekweekt die weten hoe gemakkelijk het is om weg te komen met een slechte daad, en doelwitten die ook weten hoe gemakkelijk overtreders ermee weg komen. Aan overtreders worden eigenlijk geen eisen gesteld op deze manier; aan doelwitten des te meer.

De pleger van het nare gedrag komt er al snel achter dat het enige dat je hoeft te doen is sorry zeggen. Je krijgt geen straf, je hoeft er niets van te leren, je hoeft alleen maar het magische woord uit te spreken waardoor de opvoeder bereid is het slechte gedrag te vergeven of te vergeten. Het doelwit krijgt een verplichting opgelegd om dit goedkope woord, dat helemaal niets voorstelt, te accepteren tegelijk met het feit dat hij of zij ook al slecht behandeld was. Het doelwit krijgt daarmee eigenlijk de zware taak om mee te werken aan een gemakkelijke uitweg voor de overtreder. Overtreders kunnen er dus een gewoonte van maken om iets vervelends te doen en dan snel ‘sorry’ te zeggen, zodat ze officieel een schone lei hebben. Wanneer het doelwit daartegen protesteert, dan is er een goede kans dat de overtreder alleen maar verontwaardigd hoeft te roepen “Ik heb toch sorry gezegd!”. De opvoeder zal dan hoogstwaarschijnlijk het doelwit nog een berisping op de koop toe geven: “Hij heeft toch sorry gezegd? Nou dan, dan is het nu goed en moet je ophouden met er nog over door te gaan.”

Ik vraag me weleens af of hier een vorm van oppervlakkig magisch denken achter zit. Een soort idee dat alles goed gemaakt kan worden, dat alles eigenlijk goed kan zijn, als we maar snel de rimpels van het leven uitwissen met een toverwoordje.

De werkelijkheid van overtredingen is anders. Het doelwit heeft geen taak in het goedmaken van de overtreding. De verantwoordelijkheid ligt geheel bij de overtreder. De overtreder heeft twee taken: ten eerst moet de overtreder er iets van leren en ten tweede moet de overtreder de verantwoordelijkheid op zich nemen om zijn uiterste best te doen zich nooit meer zo te gedragen. Zo heb ik het zelf ook geleerd: “Jouw sorry hoef ik echt niet meer, doe het gewoon niet nog een keer!”.

Kan een overtreder dan echt geen sorry zeggen? Ja natuurlijk wel, maar een echte ‘sorry’, een ‘sorry’ die met trots gezegd kan worden, ziet er heel anders uit. In de eerste plaats kan die niet in opdracht worden gegeven. De ‘sorry’ die wordt gezegd om door een hoepeltje te springen heeft niets te maken met de waardighed van de berouwvolle, reparerende sorry. Een waardevolle ‘sorry’ wordt uitgesproken uit vrije wil, vanuit gevoelde spijt en vanuit de oprechte wens om iets van de schade te herstellen en om te laten zien dat de les geleerd is: de overtreder heeft er een inspanning voor over om het voortaan beter te doen. Een echte ‘sorry’ wordt gezegd door iemand die zichzelf een levensles durft op te leggen en een ander iets durft te gunnen.

Ik hoop dat we met zijn allen over de onzinnige ‘sorry’-mode heen kunnen groeien en dat we degenen die tekortgedaan zijn weer gaan ondersteunen in plaats van hen te verplichten om overtreders een gemakkelijke aftocht aan te bieden. Ik hoop dat we van overtreders weer gaan vergen dat ze hogere eisen stellen aan de manier waarop zij zelf met anderen omgaan. Het is hoog tijd.

Contractvrije psychologen

In 2009 heb ik de groep ‘Contractvrij’ opgericht. Eind 2008 was ook voor de psychologen in de basis-ggz (toen nog ‘eerstelijnspschologie’ genoemd) het contracteren losgebarsten. Ik heb me daar indertijd met hand en tand tegen verzet. En ik was niet de enige. Op een oproep in het verenigingsblad kwamen in korte tijd meer dan 250 collega’s af.

Sindsdien wisselen wij met elkaar informatie en overwegingen uit in onze online groep. De groep is uitsluitend toegankelijk voor psychologen en psychotherapeuten die (deels) contractvrij werken en/of daarin geïnteresseerd zijn. Daarnaast staan diegenen van ons die dat wensen, op een site speciaal voor contractvrij werkenden.

In de loop van de jaren hebben we weleens iets van ons laten horen. Destijds heb ik een enkele keer een artikel geschreven in een tijdschrift of op een blog. Af en toe zochten leden van onze groep contact met politici en/of journalisten. We hebben regelmatig geprobeerd om bij de beroepsvereniging meer aandacht te krijgen voor het belang van contractvrij werken. Zo nu en dan hebben we mailtjes gestuurd naar politieke partijen en/of kamerleden.

De laatste tijd groeit onze groep steeds sneller. We naderen nu de 400 leden. We komen ook steeds meer tegenstand tegen. De akte van cessie wordt regelmatig niet geaccepteerd door de verzekeraar; verzekeraars verstrekken aan hun verzekerden foutieve informatie over ongecontracteerde zorgverleners en hun facturen; uitbetalingen stagneren of worden teruggevorderd en er is heel veel bureaucratie. De laatste tijd klinkt ook weer wat vaker het geluid dat ongecontracteerd werkende psychologen de zorg duur zouden maken. Echter, dat is onzin.

Onze groep weert zich nog steeds kranig, zo nu en dan zelfs met behulp van een advocaat. Echter, de vermoeidheid maakt zich ook van velen van ons meester. We zijn toe aan een frisse wind, een nieuwe koers… een regering die de zorg niet als markt en de zorgverlener niet als zakkenvuller ziet; verzekeraars die de zorgverlener respecteren in haar deskundigheid en professionaliteit.

En aan een beroepsvereniging die weer gaat doen wat een beroepsvereniging behoort te doen. Maar daarover later meer.

Pagina 1 van 2

Mogelijk gemaakt door WordPress & Thema gemaakt door Anders Norén